maandag 6 februari 2012

Dichter schrijft over winter

Mijn geest is een dunne breekbare glazen fles. Ik draag er het water in dat ik drink om te leven. Voorzichtige slokjes nu en dan, spaarzaam. Het vriest om me heen. Iemand heeft het licht weggenomen en de warmte en de oneindige leegte van de kosmos bevriest het water en de fles breekt met een knal en valt in scherven rond het bevroren water dat lijkt op de fles. Ik heb gesmeekt om licht. Het bleef ijzig leeg en donker. Als het licht nu komt stroomt het water weg. Als het donker blijft, blijft de klomp ijs. Ik heb geen drinkwater meer.


Dichter schrijft met een dikke zwarte stift op de verweerde tafel. Hij drinkt thee. Hij staart uit het raam. Iemand zweeft voorbij en kijkt niet opzij. De wolken zijn rozig. De zon is rood. Buiten vriest de grond tot steen. In zijn lijf is het winter.

De stilte en wit licht en de nacht.

Zomer

Het wordt noen en de Gladde Zakenman en de Dolende Dichter eten samen
en de zakenman zegt dat de Dichter een ontwapenende eerlijkheid heeft
die hem ver gaat brengen in het zakendoen omdat mensen voelen dat die
echt is en authentiek en omdat mensen daarvan houden, ook zakenmensen.

"Ik ga je niet leren liegen, dichterke, maar ge moet wel leren de
waarheid te negeren als dat nodig is. Ik ga je de echte kracht van het woord leren en niet de kracht van woordjes in lieve tekstjes, maar de echte kracht.

Ik ga je leren de waarheid te negeren. En dat kan je alleen door ze
kei- en keihard en glas- en glashard te ontkennen. Je kijkt mensen
recht in de ogen en zegt heel overtuigend dat het niet waar is.

Helpt altijd! Want mensen moeten dan ineens gaan beweren dat je een
gepantenteerde leugenaar bent en dat doen ze niet. Neem dat van me aan.
Gewoon ont-kennen. Mensen mogen de bewijzen zien en voelen en horen en
toch kan je alles met een simpel en overtuigend "Neen, niet waar"
wegvegen. Ge-wel-dig! Dat, dichterke , is de echte kracht van het Woord!"

Dichter kijkt de Gladde Zakenman aan en vraagt hem of hij de Zakenman
dan nog geloven kan. "Gisteren vroeg ik je of je het Stille Meisje nog
gesproken had en je keek me aan en zei heel overtuigend 'Neen'. En
toen ik je vroeg waarom je dan zoveel van haar wist, zei je dat je
daarover niet praten wilde, want dat 'Neen Neen is'. En ik weet dat je
al eerder tegen me gelogen hebt."

De Gladde Zakenman grijnst en zegt dat dat geen leugens waren, maar het
verdraaien van de werkelijkheid om de Dromerige Dichter te sparen,
"Want je bent zo'n watje soms", en dat het bij die paar keer is
gebleven en dat de Dichter dat maar moet geloven en de dichter trekt
de schouders op en zegt dat hij niet anders kan zeker en ze eten
verder en drinken dure wijn en de Gladde Zakenman spreekt over verre
reizen en dikke deals en vliegreizen in onweders en bestolen worden in
Oosterse steden en de Dolende Dichter luistert en weet niet langer wat
waar is en wat niet en weet dat dat er niet langer toe doet.


De waarheid bestaat niet en heeft nooit bestaan. Of iets waar of of niet,
denkt hij, wordt bepaald door twee woorden: 'ja' or 'neen'. En geloven
of niet geloven.

En de Gladde Zakenman, die een extra zintuig heeft na zoveel jaren,
zegt: " Vertrouwen, dichterke, is enkel en alleen niet perse de
waarheid willen kennen. Knoopt dat goed in uw kop. Heel goed. Als je
wil leven en overleven, is het dat en dat alleen. Vertrouwen is bewust
blind en doof zijn. En gevoelloos dus ook."


De Dolende Dichter eet zwijgend verder en vraagt zich af of hij dat kan en wil. En hij bedenkt ook dat hij cynisch wordt als de Oude Knorpot omdat hij het best wel grappig vindt dat de Gladde Zakenman een filosoof is en een woordkunstenaar.


Nazomer

Dichter en Zakenman zitten samen achter glas, ze drinken koffie bij de stroom en ze praten gedempt.

Dichter praat.
"Ooit zei je me dat ik moest leren keihard te liegen. Gewoon glashard ontkennen, zei je en je keek me in de ogen met zoveel overtuiging. Ik wist meteen dat je het kon. Dat je het deed. Dat je mij glashard zou voorliegen als je dat zou uitkomen."

"Iedereen liegt", zegt Zakenman, "Om zichzelf te beschermen. Of om de leugen waarmee ze begonnen vol te houden en dicht te dekken met nieuwe leugens en onwaarheden. Het leven is ingewikkeld en de waarheid is maar een onbeduidend element. Het leven is een opeenstapeling van grote en kleine leugens."

"Iemand loog tegen me. Herhaaldelijk. Ik reikte de hand en opende die. Het hielp niet. Wat ik geleerd heb, Zakenman, is dat de waarheid licht is en de leugen een schaduw en het licht werpt een lange schaduw. Vooruit of achteruit. Ineens sta je in het donker van de leugen. Kil. Je voelt gewoon het ongemakkelijke. Ineens sta je in het licht. Je knippert de ogen. Soms is het licht fel en grijpt het je naar de keel. Je snakt naar adem. Het licht verblindt. Het is niet zacht. Het is niet verwarmend. Soms wou je dat je in de schaduw kon toeven en je met de donkerte en de kilte kon verzoenen en er leven als een lichtschuwe vampier."

Zakenman luistert niet. Hij ijsbeert langs het raam. Hij belt. Met iemand die op een exotisch eiland is ergens bij de evenaar, waar de dag minder oud is en de zee blauwer en warmer. Ze praten lang. Eerst oppervlakkig. Zakenman loopt steeds verder weg. Gaat aan een verre tafel bij het raam zitten en staart over de stroom die nog smal is in deze stad en kronkelig. Zijn stem wordt zacht en diep. Zijn ogen tranen. Bij beukt zijn vuist tegen het hout tussen de ramen. Hij staat op en schopt een stoel onderuit en als de eigenaar wil tussenkomen, gebaart de Dichter dat niet te doen en hij gaat tot bij Zakenman en vraagt hem het gesprek af te breken.

Dichter hoort Zakenman iemand aan de andere kant van de wereld bedanken voor zoveel openhartigheid. Zakenman legt 50 euro op de tafel mompelt iets over schade en wijst op de stoel die inderdaad een kromme poot heeft die in ingescheurd. Zakenman ziet bleek en is getekend en zijn ogen zijn rood en waterig en Dichter herkent hem niet zo. Zakenman sluit de deur achter zich en is verdwenen en Dichter blijft achter in het pand. Hij kijkt over de stroom die in het donker meandert naar de horizon. Hij ziet de straatlichten en de auto's. Het donker van de leugen. Het donker van de dood. De lichten verlichten enkel om zich heen en onthullen weinig. Dichter legt het voorhoofd tegen het raam en laat de kilte van de nacht naar binnen.

zondag 5 februari 2012

Zwart licht en wit licht en de dood

Als de stilte wit licht is en het licht van de maan dat over de polders ligt is zwart licht, dan is de nacht de dood. Ik wandel in de dood van de nacht. Ik stap langs de smalle paden die mens en dier slijten in grasvelden. Mensen, vossen, hazen, we volgen dezelfde paden. Ze waren er niet eerst. Iets of iemand volgde het pad een eerste keer, legde het gras lichtjes vlak zodat een tweede dezelfde weg volgde en een derde en een vierde en een vijfde volgde en de tijd glijdt en rijmt gebeurtenissen tot een gedicht over de leegte van vergeten uren. Ik wandel langs zwarte paden als houtskool in het zwarte licht van de maan en in mijn hoofd brandt het witte licht van de stilte. Ik wandel langs de paden in de dood van de nacht en adem niet langer.
Mijn woorden zijn wolken van adem die bevriezen in het zwarte licht van de maan als waren ze zilveren zinnen en verhalen over stiltes van wit licht en de ademloze dood.
Mijn stappen vriezen zich vast in de tijd en mijn geest is als de adem die even zichtbaar is in het zwarte licht en die daarna verdwijnt in het niets. Ik ben dood.


Knorpot schrijft lange verhalen met zwarte bic in een kladschrift van grauw en dun papier. Hij zoekt houvast. Op zijn lijf drukt een rotsblok. Overal. Alsof zijn lijf een blad papier is en zijn ledematen de woorden met daarop een immense blok steen. Hij schrijft alsof hij Dichter was en zoekt vergeefse rust. Tevergeefs.

De stilte is een wit licht

Knorpot zit in de stilte van een kille kathedraal vol schuifelende mensen, biddend prevelende oudjes en fluisterende toeristen. Hij zit links, daar waar het licht in het flikkerende babbelen van vele honderden kaarsen. Hij stopt een munt in een gleuf en ontsteekt een kaars en zoekt een plekje. Hij weifelt. De kaars waait uit. Knorpot telt.




Hij schuift de kaars tussen de honderden anderen, fixeert zijn ogen op de kaars en gaat wat verderop zitten op een lage en ongemakkelijke stoel. Hij is alleen. Hij kijkt rond en vraagt zich af hoe bidden gaat en of je dat kunt leren door te kijken. Tot wie bid je? En wat doe je dan? Sluit je je ogen en prevel je? Of zoek je oogcontact met een van de beelden? En wat zeg je? Wat vraag je.




Knorpot sluit de ogen en maakt beelden van marmer met woorden die hij in zijn geest uitspreekt en bevriest.

Over zijn schouders glijdt een schaduw van licht. Langsheen zijn kaak scheert een zucht eeuwig verhaal. Iemand kijkt in zijn gesloten ogen. Iemand ademt zijn adem. Iemand legt een hand op zijn schouder. De hand is warm en zacht en rustgevend. Hij grijpt naar de hand en legt een hand op de hand. Iemand fluistert een wereld in zijn oor van mals gras en lome bomen en trage rivieren en de zee die oneindig is en eeuwig. Knorpot ademt de woorden. Hij zit er uren. Zijn knoken vertellen van stramheid en zijn pezen janken en zijn onderbenen voelen gevoelloos omdat hij zijn bloedbanen dichtgeknepen heeft, zittend op die te lage stoel.

Hij vraagt zich af of dit bidden was en hij vraagt zich af of hij zich nu beter voelt. Hij strompelt buiten als een oude man. Hij maakt zich klaar om met de ogen te knipperen tegen het felle licht, maar het is al donker buiten. De hevige vrieskou mept hem vol in het gelaat, met de vlakke hand en knijpt zijn keel toe en ranselt zijn neus en voorhoofd bij elke ademtocht.

Hij weet niet meer waar hij zijn auto gelaten heeft en verdwaalt in de straten. Hij mist een gids. Iemand die hij volgen kan door de straten van de stad. Die hij bij de hand wil nemen en die hij niet bij de hand neemt. Iemand die hij blind volgen kan. Hij zoekt bijna een uur. Hij doet het zonder denken.
Hij telt de tijd niet. De tijd neemt hem in de kille armen als roestvrij stalen grijpers die zich over zijn borst leggen en dan klemmen tot hij geen adem meer heeft.

In de auto rilt zijn hart. Het klopt niet meer. Het trilt. Hij voelt zich benauwd. Hij wacht op een pijn die hij nooit gevoeld heeft in dit leven en die hij zich voorstellen kan. Hij weet welke verschroeiende pijn het zal zijn. Hij wacht op de slag van een zware voorhamer op zijn borstbeen. Hij wacht en zet zich schrap. De slag komt niet. Het trillende hart klopt weer. Snel en onregelmatig.

Hij hapt naar adem en start de motor. Hij rijdt de stad uit naar het Donker Kot van Dichter en weet niet hoe hij er raakt. Ik ben dood, weet hij. Ik ben gestorven in die kathedraal. Ik zit op die stoel. Straks schudden ze mij aan de schouder, ik voel de hand. Ik wil mijn hand op die hand liggen. Het lukt me niet.

Als hij binnenkomt in een vlaag ijzige poolwind, kijken Dichter en Meisje hem aan als was hij een geest. Die zitten samen aan de verweerde tafel. Ze kijken hem aan. Hij is bleek als papier en zijn ogen liggen diep in zwartgeblakerde kraters en de groeven in zijn gelaat zijn scherp als met inkt en pen getrokken. Hij is dof. Ongeschoren. Hij loopt krom. Zijn haren liggen verward. Hij neemt een jenever en zinkt neer aan de tafel en zegt zacht dat hij dood ging vandaag.

Boerken komt uit de keuken en zegt geen woord. Hij stapt naar buiten in het donker en loopt de weides op, met emmers vol water en een zware hamer. Bij de emmers stopt hij. Het is donker. Het is bitter koud. Hij klopt de centimeters dikke ijs stuk en giet water bij. Hij weet dat het vergeefse moeite is. De dikke brokken ijs zullen meteen vastvriezen als vastgelopen ijsbergen in een emmer. De kou is scherp. Hij strompelt moeizaam. De paarden hebben in de sompige modder diepe kloven geboetseerd, en scherpe bergen, en kraters geslagen en nu is alles tot steen gevroren. De tocht langs de weides duurt lang.

Als hij weer binnen komt, zitten Dichter en Meisje aan tafel en staat Knorpot te kotsen boven de gootsteen in de keuken, gebogen en krom. 'Hij is echt overstuur' zegt Dichter ' en ik weet niet waarom.' Het Meisje zweeft het huis uit langs het raam en laat een schaduw van licht en hele verhalen over mals gras en lome bomen en de zee en stille stranden en duinen en de stilte achter de wolken. Niemand hoort een woord.

De stilte van de nacht glijdt langs het raam de kamer in en vriest de uren vast en heelt de wonde die verhalen slaan in de ziel van mensen. De stilte is een wit licht.

Buiten zweeft het Meisje over de polders en ze ziet de paden tussen de weides en ze telt de grassprieten in de sneeuw en ze proeft van de adem die vanuit het Noorden over de velden zucht. Ze is ongrijpbaar ijl.


donderdag 2 februari 2012

Spinvis zingt

Schilder zit op de knieën en voor en onder hem ligt een groot zwaar papier waarop hij verf kwakt en met krijt tekent, nu eens zwierig, dan klein en met vette stiften en potlood en bic en pen. Met penseel, met de vingers, handen. Hij schildertekentschetst een zandloper en vult die met kleine mensjes en woorden en gebeurtenissen die als in hiërogliefen de zandkorrels vormen en hij tekent handen die wanhopig knijpend zand proberen vast te houden dat glipt en glijdt onsnapt als water. Hij knipt en plakt prentjes en teksten die hij wild scheurt uit kanten en tijdschriften en uit kunstboeken en romans en poëziebundels, die hij jarenlang bewaard heeft als schatten en die hij nu uit elkaar rukt als een uitgehongerde leeuw die van pure honger het jong verscheurd wat hij zo lang gekoesterd en beschermd heeft. Schilder schept een zandloper en mensenhanden die de zandloper gekeerd hebben, zonder er erg in te hebben. Het zand gaat de andere richting uit, de flarden, de teksten, de woorden, de gebeurtenissen. Hij tekent de Goden die lachend champagne drinken en neerkijken op de domme mens met zijn dwaze mensenhanden die toekijkt met ogen die nog twijfelen tussen verbazing en pure wanhoop.
Wat verderop aan de verweerde tafel schrijft Dichter en hij kijkt naar het werk dat daar groeit onder de handen van de Scheve Schilder. Hij schrijft over de vleugelslag van een vlinder. Hoe hij voelt en weet dat de storm zal opsteken, dat de wolken die onschuldig aan de horizon binnenglijden zich zullen stapelen en stapelen en stapelen tot dikke dreigende, kilometers hoge onweerswolken, die donker zwart worden onderaan, en bulken van regen en hagel en hevige wind en bliksems en donder en tornado's die alles wegvegen.Hij voelde de eerst bries, zag de eerst kleine wolk. Al een poos geleden. De lucht wordt killer en donkerder, de geluiden scherper. Er is onweer op komst. Hij voelt het scherp en schrijft er over.

Ze drinken thee. Het Meisje is naar buiten gevlucht, in de hevige vrieskou en ze is zich bij Boerken gaan warmen voor de open haard waar het warm is en rustig. Boerken zegt geen woord en het Meisje ook niet.

De Dichter schrijft over de vleugelslag van een vlinder. Een zandloper kan je keren, de vleugelslag van een vlinder kan je niet meer teniet doen, denkt hij en hij schrijft verder.

Op de radio speelt een lied.



Het staat geschreven op de muur
Het is te horen in de tram
Het is te zien in alle ogen
Het zal niet zo lang meer duren
En het is echt heel goed nieuws
Het is echt heel goed nieuws

Dat de zon en alle sterren zijn gelogen en niet echt
En wat zo vreselijk belangrijk was wordt uitgewist en opgezegd
En dat is heel goed nieuws
Ja dat is heel goed nieuws

Vrienden worden vreemden
Geen herinnering kan mee
En alle tijd die je bewaren wou
Verkruimeld langzaam in je hand
En waait naar zee
En dat is heel goed nieuws
Ja dat is heel goed nieuws

Neem maar afscheid van degene die je altijd wilde zijn
Had je nog iets willen zeggen, doe het snel
Er is niet heel veel tijd want de wolken worden donker
En de storm komt dichterbij
Hoor de verre honden janken
Zie de laatste spreeuwen vluchten voor het einde
Want alles gaat veranderen
En het was de hoogste tijd
Want de roest kruipt naar je ogen
En de schaduw wint terrein
Op alles wat je ooit zo mooi vond
Op alle prijzen die je kreeg
Als de nieuwe zon dan opkomt
Zijn de straten groot en leeg
En in de ochtend zijn we weer volstrekte vreemden
En als ik jou dan weer ontmoet
Dan ben ik eindelijk iemand anders
Dan ben ik eerlijk, sterk en echt en waar en goed
En dan drinken we de regen
En dan eten we de wind
En dan worden we weer vrienden
Gewoon weer vrienden net als vroeger
Verder niks
En dat is heel goed nieuws
En dat is heel goed nieuws
Heel goed nieuws



woensdag 1 februari 2012

Eigen werk en henneptouw en hangend zweven.

Dichter leest eigen werk en denkt.


Gelijktijdige ramen, 1911

Moeizaam klautert
De gekwelde dichter
Op de onhandig hoge stoel
Of neen
Wat onhandig klautert
De gekwelde schilder
Moeizaam op de hoge stoel

Leest zichzelf enkele
Eigen gedichten voor
Henneptouw
Losjes om de hals

Heel spannend allemaal
Even wankelt hij en
Herstelt zich
Niet

De stoel valt
En
De dichter zweeft
Tussen hemel en aarde
Henneptouw
Strak om de hals

Het duurt wat langer
Dan gehoopt
En zieltogend
Vergeet de schilder
In de spiegel te kijken

Tussen bed en staanklok
Hangt
Het onvoltooid zelfportret

De reiziger

Knorpot komt het bevroren erf van Boerken op gewandeld, breed lachend en zwaaiend. Hij vertelt over verre reizen en exotische gerechten en kruiden. Hij vertelt over mooie mensen die onbevangen in het leven staan en zich nergens zorgen over maken en elke nieuwe dag als een geschenk ervaren om verder te komen in het leven. Hij vertelt over bruisende steden die nooit slapen of rusten en die barsten van mensen en verkeer en auto's en lawaai en drukte. Hij vertelt over vlaktes in Afrika, over Aziatische valleien, over canyons in Amerika. Over de Kaap in het Zuiden, over de Kaap in het Noorden, over de Oceanen. Hij vertelt over lange vliegreizen. Over hoe zwaar het afscheid, tot hij op het vliegveld kwam en de kerosine rook en de wereld en zijn bewoners hier ophielden te bestaan en de tijd verdween en er enkel het reizen was en de ontmoetingen. Hij was de koning te rijk.
Knorpot straalt en glimt en huppelt als een veulen en Boerken trekt de schouders op en bromt en knort en werkt door aan niks en niemendal, want het vriest en behalve met water sleuren en eten en hooi en stro en uitmesten, is er niets te doen op het erf. Boerken werkt door.

Knorpot, die merkt dat Boerken niet luistert, gaat weer weg. Hij komt bij Dichter binnen die in het Donker Kot voor het raam staat te staren en Knorpot ziet de trekken op zijn mond en de tristesse in zijn ogen en zwijgt, weet zich geen houding te geven, draalt en draait en stapt dan weer op en neemt zijn verhalen mee.

Reizen, denkt hij, is zo bevredigend. Je vergeet alles wat je achter laat. Er is enkel het permanente hier en nu. Je ontsnapt aan tijd en ruimte.