zondag 3 juni 2012

Endless

Ik schrijf achterwaarts een leven tot geboorte en daarna volgt het eindeloze wit dat goed voelt en warm is en nergens eindigen zal omdat er geen einde is aan eindeloos.

Hij schrijft met een pen op papier in een moeizaam hakerig handschrift.

Olympics

Boerken en Knorpot zitten te kijken hoe Paardenjongen een bont paardje zadelmak maakt als een echte cowboy met een mengeling van zachte hand en bruut doorzettingsvermogen en als een eerste poging om op het zadel te zitten leidt tot bok- en springwerk zoals alleen in de beste rodeo-shows gezien wordt en Paardenjongen door de lucht klieft in een gestrekte salto mortale met dubbele schroef over de nek van het paard gevolgd door een perfecte landing plat op de rug, snelt Boerken ter hulp en zegt Knorpot droog "Goed voor 9.81 punten, Olympics, here we come."

Paardenjongen krabbelt recht en weet dat morgen alles zeer zal doen en stijf zal staan van de klap en hij grijpt de teugels en wil meteen terug opstappen, maar Boerken houdt hem overtuigend tegen en zegt dat het genoeg is geweest voor vandaag en dat 'die kleine pinto' een klein koppig smeerlapke is.

Boerken stapt met het paard de bak uit en Paardenjongen stapt er een beetje kreupel achteraan en de avond valt.

Het regent ragfijne zijden gordijnen en er staat geen wind. De populieren hullen zich in sluiers van grijs.

Het leven gaat in lussen



(foto Tom Bogman te Mespelare)


"Geef me een geweer en in knal ze godverdoeme allemaal uwen hof uit", zegt Boerken als het geluid van de houtduiven hem op de zenuwen begint te werken.

Het regenen is gestopt en de polder dampt. De weides zijn vet.

De duiven zijn de keizers van de tuin. Boerken wil ze afknallen. Knorpot drinkt Duvel. Dichter drinkt thee samen met het Meisje. Zakenman nipt aan dure witte wijn en maakt zichzelf wijs dat hij ervan geniet terwijl hij zielloos op zijn smartphones zit te staren. Het leven gaat lussen en we raken erin verstrikt. En niemand die het stoppen kan.

De dagen slenteren voorbij.

Dichter jankt als de wolven om halftwaalf





Het regenen is even opgehouden en de beekjes in de weides drogen langzaam op als het verse water gedronken wordt door de gulzige aarde. Het gras rekt zich naar de lucht die zich schildert in grijstinten. Tussen aarde en zon kruipen wolken op en boven en tussen elkaar als waren het duizenden broedvogels op een te smal strand. Over de polder hangt de hemel amper boven de toppen van de populieren als op elkaar gestapelde handgeschepte bladen waardoor het zonlicht probeert het gras en de donkere aarde te raken en te warmen. De mensen in de polder huiveren en vloeken omdat het zo koud is in de zomer en de ganzen maken kabaal.

In de verte maken kerkklokken hels duidelijk dat het bijna halftwaalf is en ergens schuifelen de laatste gelovigen grauw naar de duistere waarheid die geschreven staat in eeuwenoude rituelen en gehuld gaat in wierrook en prevelende priesters in hoge gebouwen waar mensen troost zoeken bij elkaar en de zekerheid van geloven. Soms willen mensen gewoon geloven en zich daar nestelen. Borgen en geborgen.


Dichter verdicht het en soms wou hij dat hij geloven kon, maar het lukt hem zelden. Dichter is een zoeker, hij wroet in en achter de dingen die hij hoort en voelt en ziet om ze te ontrafelen, te analyseren, te de-componeren om er alles van te begrijpen en de stukken en brokken en vijzen en schroeven en onderdelen te kunnen gebruiken als nieuwe bouwstenen voor een nieuw universum dat groeit in zijn hoofd en dat bloeit soms en soms tot bloedens toe pijn doet en soms ook gesnoeid moet worden tot de wortel en dat terugkomt als zevenblad of woekert giftig en sluipend als Sint Jacobskruid. Dichter kan niet gewoon geloven en vertrouwen. Vertrouwen is de zintuigen uitschakelen en het denken. Dichter kan het niet.

Dichter zit in het donker kot en buiten lijkt het herfst en in zijn kop gevuld met duizenden beelden en woorden woedt een storm, een orkaan.

Dichter jankt als de wolven.

Over de regen palaveren

"Waar ik me vreselijk aan kan ergeren," zegt Dichter, "is aan oude uitdrukkingen die alle relevantie verloren hebben, maar die de kinderen toch nog aangeleerd krijgen op school. Ik denk daar nu aan omdat het hevig regent en omdat ik weiger te zeggen dat het pijpenstelen regent. En dat niet alleen vanwege die stomme tussen-n zoals in het belachelijke pannenkoek. Maar vanwege het beeld. Wie kent nog de steel van een pijp??? Tsjonge. Its raining cats and dogs. Geweldig! Maar pijpenstelen? Neen."

"Wat moet het dan regenen?" vraagt Meisje stil. Knorpot en Boerken, die komen schuilen zijn, kijken vragend. De ene heeft zijn zwarte rothumeur meegebracht en de andere de geur van hooi.

"Kikkers. Plof plof plof. Dat is van die dikke vette regen, waarvan de druppels nog ver uit elkaar landen. Of nagels en vijzen. Dat is van die machinegeweer-regen. Takketakketakke. Of knikkers. Of kiezels. En van die dunne regen. Dan horen we te zeggen dat het regent als een zijden gordijn. Of als suikerspin. Of zoals fluisterende geliefden. En als het hevig regent tijdens een onweer dan regent het ruzie. Of dan regent het oorlog en geweld. Dan regent het als een machinegeer. Maar dat zei ik al. Het kan zelfs regenen als uitgekieperde emmers. Bijna zonder druppels."

Boerken drinkt koffie en zegt dat regen regen is. Altijd op het verkeerde moment, altijd te veel en altijd te weinig. Nooit hard genoeg, altijd te hard. Of de regen blust de droogte niet of de regen spoelt de verse planten van de akkers.
"Zoals vandaag, als het zo nog efkes gesmolten pralines blijft zeiken."

En Knorpot moet zowaar lachen en verslikt zich in de koffie en Meisje klopt hem op de rug.

"Het regent jeneverglaaskes", zegt Knorpot.

zaterdag 2 juni 2012

Boerken over Cultuur en winkelcentra en Duvel

Burps.

Dichter over Cultuur en winkelcentra

Dichter heeft Knorpot aanhoort, zegt 'Hoera' en zegt dan dat hij over winkelcentra en het belang ervan geen mening heeft of wenst te hebben, en dat hij ook aan Cultuur doet en daar geen subsidies voor nodig heeft, dat cultuur altijd zijn weg vinden zal. Zeker nu de media dat toelaten. Iedereen heeft toegang tot iedereen. Waar ook, wanneer ook en hoe ook.

En dan zwijgt Dichter en schrijft verder.

Boerken zegt: "Aan elke steen zijn veel kanten."