zaterdag 31 december 2011

De Oude Man en de kathedraal

Je vertelt over de kathedraal en de schilderijen waarin de lichamen diagonale lijnen trekken en de rode mantel als een rots is waarop alle krachten steunen. Je vertelt over kaarsen.

Het Stille Meisje spreekt en Boerken hoort hoe ze vertelt over polders vol vers gras en korenvelden omzoomd met papavers en hoe in de zomer de hitte bleef hangen in de zandwegels tussen de goudgele akkers. En de Gladde Zakenman hoort hoe ze vertelt over de zee en de schepen die er varen tot ze aan de horizon verdwijnen in een stipje. Over de wolken die glijden op de wind die over het strand strijkt tot het vlak is.

De Scheve Schilder hoort hoe ze vertelt over die wolken die donker zijn onderaan, bijna zwart met blauwige ondertoon en die dan paarsig worden hogerop en lichtblauw neigend naar wit. En hoe de zee groenig is bovenop zwart en blauw en paars. En hoe de golven wilde bijna droge dotten witte verf zijn die gezet worden met een grove borstel van varkenshaar.

De Droeve Dichter hoort hoe ze woorden om elkaar heen vlecht zoals de mandenmaker dunne wilgentakken en hoe ze kleur maakt met zinnen en geuren schildert met de volgorde van de woorden en hoe ze hem bij de hand neemt en hoe ze samen wandelen tussen de velden van rust en perfecte zinnen die geen woord te veel en geen woord te weinig dragen.

De Oude Knorpot hoort hoe ze vertelt over de lichamen die als kabels die schepen aan de wal houden bij zwaar weer, over de doeken strengelen van linksonder naar rechtsboven, over blikken die lijnen zetten en kleuren als nachtblauw en bloedrood.

Ik was in de kathedraal
Zegt het Stille Meisje.
Het is er zo stil en leeg. Er is te weinig licht. De schilderijen verschuilen zich in schaduwen. De honderden kaarsen flikkeren in de lichte tocht die langsheen de pilaren glijdt. Ik was er met De Droeve Dichter en we ontstaken een kaars. Gewoon. Omdat we dat wilden doen. Ik hield de verse kaars bij een van de vlammetjes en daarna zette ik de kaars op een van de smeedijzeren pinnen.

Wat verderop zat een oude man naar ons te kijken. Hij leek eeuwenoud. Ik had de neiging hem te vragen me het verhaal van de kathedraal te vertellen. Hoe hij ze bouwde, bijna een eeuw lang. Eerst de kleine kapel, waar de oude had gestaan, daarna de torens en daarna de verbindingen. Hoe de kathedraal groeide en fijner werd, want al doende werden de bouwheren slimmer. Ik ging naast hem zitten. Hij had scherpe trekken en zijn donkere ogen keken nergens heen. Ik zag zijn handen en wou ze aanraken. We zaten er lang. Stil naast elkaar. Dan sprak hij met zachte stem. Niet fluisterend, en toch amper hoorbaar in de stilte van de kathedraal. Dit doe ik elk jaar, zei hij me. Ik weet niet hoeveel jaren. Ik drink een warme wijn met kruiden in een kelder, ik zit tegen de bakstenen muur onder het lage gewelf op de smalle houten bank en ik heb tijd. Daarna wandel ik naar buiten. Door weer en wind. Soms in de sneeuw. Tot bij de kathedraal. Ik ga er binnen en adem de stilte en drink de schilderijen en betast de geur van wierook en kaarsen. Ik bekijk de mensen. Ik speur naar gezichten. Ik wacht. Er is geen tijd hier. Ik kom tot deze plek en ontsteek een kaars en dan kom ik hier zitten. Ik sluit de ogen en laat alle tijd uit me vloeien. Er is geen voor en na.

Daarna stond de oude man op. Moeizaam. Hij raakte me even aan op mijn schouder en wees met zijn hand naar mijn vriend. Hij wacht op je, zei hij. Hij wil naar buiten. Hij wil naar de grote brede stroom. Even aarzelde hij. Dan sprak hij deze laatste zin en verdween.

Je wil me vragen waarom ik hier ben. Ik kan het je antwoorden. Maar het antwoord is niet belangrijk. De vraag ook niet.


De Droeve Dichter staat bij de brede stroom en voelt hoe de zee zich langs de bochten over het water diep in het land heeft laten voeren en hij smaakt haar zilte adem.

Rond de verweerde kromme tafel is het stil. Ze drinken Marokaanse thee uit kleine glaasjes.

Sagrada Familia of de hangende torens

Ik denk in zinnen. Ik schrijf voortdurend woorden aan elkaar. Als ik dingen zie, als ik aan dingen denk. Ik zet ze om in zinnen en schrijf de zinnen in mijn hoofd en herschrijf, keer op keer, schavend. En dan zet ik me achter het schrift en ik neem de pen en probeer de zinnen te schrijven die in mijn hoofd dwalen, en ik verdwaal in de woorden en kom op andere plaatsen dan waar ik wilde komen en ik herken de zinnen niet en vloek en tier en miljaar en niets helpt.


De Oude Knorpot drinkt gulzig van zijn Duvel.

De Gladde Zakenman denkt dat hij alles gezien heeft. Hij dwaalt. Ooit verkocht ik mijn ziel aan De Peetvader, voor het geld en de macht. Ik reed in zijn Engelse sportwagen die meer dan 10 jaarlonen van zijn arbeiders had gekost en ik reed ermee naar die stad die een vissersdorp is. Ik reed bijna elke maand. Ik deed er zaken met de vrienden van De Peetvader. Ik vertrok rond middernacht, tankte een eerste keer net voor Parijs, legde de kap open en reed stapvoets dwars door de lichtstad, middenin de nacht. Winter en zomer, behalve als het regende. De 500 PK onder de gaspedaal brullend als een hongerig roofdier.

Tegen meer dan 250 zweefde ik verder naar het Zuiden, dwars door Frankrijk. Gehuld in luxe en leder en macht en ik was zielloos, want mijn ziel was verkocht. Elke 300 kilometer tanken en een koffie slurpen. In de trechter net voor Lyon, kon je soms de wind voelen die vanaf de warme zee de eerste tekenen van de zomer tegen je gelaat streek, maar soms ook de zijwind die vanaf de Alpen de ijzigheid van de bergen onder je kleren liet glijden. Tegen de ochtend dronk ik koffie bij de haven van het oude vissersdorp die een stad is.

Ik sliep er in een hotel langs de laan die schuin vanaf de zee langsheen de Olympische berg het land in beukte. Er was een zwembad op de hoogste etage, in openlucht. Ik zwom en keek naar het Olympisch stadion, ik keek over de zee, de stad, ik zag de heuvels achter de stad en de eeuwige kathedraal. Het zwembad was een bokaal groot.

Aan het begin van de scheve laan ga je even naar links, met voor je de zee. Daar staat, verheven hoog boven het volk, op een veel te hoge en smalle pilaar, de megalomane ontdekkingsreiziger die uit een andere stad kwam, maar hier vertrok met drie te kleine schepen, naar die andere kant van de wereld die niet vlak meer was.

Rechts van je reiken het teakhout en aluminium van hedendaags design in zee en links daarvan is er de lange brede laan vol pseudo kunstenaars en muzikanten en mislukte voetballers die kunstjes doen met een bal en weemoedig kijken en tekenaars en schilders en zakkenrollers en toeristen. Het is de laan van de onmetelijke triestheid.

In die straten dwaalt een gekke architect, een waanzinnige. Die huizen bouwt die in elkaar lijken te zakken als waren ze gevuld met water en modder. Vrienden van de Peetvader, die in de mode zaten, hielden feestjes boven op het dak van het gebouw dat lijkt op een steengroeve die als een vette buik in dikke plooien zakt. Het dak met de inzakkende, gedraaide schoorstenen van witte scherven. Die duurden tot de zon weer opkwam. Vanaf het dak kijk je naar de kathedraal in aanbouw.

De waanzinnige in donkere lompen loopt er elke dag, roepend en tierend, biddend en zingend tot God en de Engelen en Maria en alle Heiligen. Hij bouwde geen kathedraal. Hij tekende een kathedraal en bleef tekenen. En de torens werden hoger en hoger en talrijker en donkerder en lichter. Zijn kathedraal reikt niet naar de hemel, zoals alle andere kerken en kathedralen. Hij bouwde geen kathedraal. Hij droomde er een en nog een en nog een en de droom werd steeds oneindiger.

De Kathedraal van de Heilige Familie reikt niet naar de hemel. De droom van de gekke architect hangt vanaf de aardbol in de hemel.

Vanuit de Middeleeuwse haven vertrokken drie schepen omdat de aarde een bol was. Een krankzinnige liet vanaf die bol een kathedraal in de hemel hangen. Hij liep biddend en zingend tot God onder een tram en stierf. Men bouwde verder aan zijn kathedraal, maar de waanzinnige die in een klein hok woonde, daar op de werf, was dood en met hem stierf de geniale chaos die hij tekende. Ooit voltooit men iets wat men nooit had moeten voltooien.

Hij droomde een kathedraal. Een kerk die aan de wereld hangt tot ver in de hemel.

Ik ging er soms uren zitten en ik keek naar de bouwwerken en waande me even in de Middeleeuwen. Soms is het fijn je te koesteren in illusies.

In de vroege ochtend nam ik de taxi tot het park waar een veelkleurige salamander op de trappen ligt en waar als je geluk hebt 's ochtends vroeg een paar jonge mensen op gitaar, viool en contrabas muziek maken tussen de ruwe pilaren die als bomen zijn die op olifantenpoten lijken en die de gewelven torsen waarop de kronkelende banken rusten en die veelkleurig zijn en glad blinkend. Ik heb er duizenden foto's genomen van de combinaties aan scherven. Ik zat er op de bank, een beetje opzij, want anders zit je met je rug naar de stad, en keek uit over het vissersdorp dat een stad is en over de stad die een vissersdorp is en ik zag de veelkleurige schoorsteen met het organische kruis en ik slurpte de klanken van de klassieke muziek die langs de gewelven omhoog gleed.

Daarna ging de zon hoger staan en kamen de toeristen en dan nam ik de taxi naar de top van de olympische berg waar de sculpturen staan en het stil is een leeg.

's Nachts ging ik tussen de brede laan van de zakkenrollers en de gotische wijk de smalle stegen in, waar rond wilde vuurtjes alle dakloze junkies van Europa neerstrijken in hun huizen van karton en dekens en oude kinderwagens, die hun lepels gloeiend heet stoken tot het poeder smelt en ze het als vloeistof in de naalden kunnen opslurpen om het in hun lijf te spuiten. Ik fotografeerde hen en was niet bang. Op een nacht kwam ik tot bewustzijn, liggend tegen de gevel van de oude kathedraal met een gebroken neus en een gekloven lip en ingetrapte ribben en ik was mijn dure reflexcamera kwijt en mijn geld.

Ik at er nooit bij de designer haven en zeker niet in de buurt waar de huizen staan van de waanzinnige architect of zijn hangende kerk. Ik nam de taxi de heuvels in of ik reed met de Engelse sportwagen naar de zakenbuurt of ik reed de stad uit naar de kleine vissersdorpen iets verderop langs de kust, of ik reed over de hoge heuvels het achterland in, waar de wijngaarden zijn.

En ik zwom in het kleine zwembad op het dak en keek naar de torens die in de hemel hangen. Ik wandelde het hele eind. Eerst tot bij de zee, dan langs de zee tot het Olympisch dorp en het design hotel om dan de stad in te gaan, van de zee weg, tot bij de kathedraal en ik ging er op mijn rug liggen en keek zo naar de kathedraal van de Heilige Familie en ik dacht van de aarde te vallen, recht in de wolken boven mij en ik zag de waanzinnige donkere schreeuwende en biddende architect die naast me kwam zitten, zich vastklampend aan de grassprieten om niet in de hemel te vallen.




vrijdag 30 december 2011

Hong Kong Days

Ik heb uw schrijven gelezen

Zegt Boerken tegen de Gladde Zakenman.
Over uw doodgaan in Hong Kong. Maar ge haalt er twee continenten door elkaar he. Het is niet omdat ik een Boerken ben, dat ik mijn wereld niet ken.

De Gladde Zakenman grijnst. Zijn zwarte auto staat met draaiende motor een beetje schuin op het erf van Boerken. Het is vroeg in de ochtend en het regent niet en er staat geen wind. Het is niet koud en de Gladde staat gewoon in zijn hemd en vraagt Boerken om verse melk, want die schuimt zo lekker en hij wil vrienden een echt lekkere kop aanbieden van vers gemalen koffie van bonen, die hij zorgvuldig heeft uitgekozen bij een kleine brander. Gemaakt met de espressomachine die hij in Milaan kocht en in zijn kofferbak naar Belgie bracht. Hij reed er de bergen in en in een klein dorpje bezocht hij er ook de showroom van een design fabrikant en hij kocht er voorwerpen die net niet eerste keuze werden en die precies daarom mooier zijn. En goedkoper.

Wat gij niet weet, Gladde, en nooit zult weten, is dat het niet de koffie is, niet de melk, niet de machine en niet de design kopjes. Het is het gezelschap. Doe uw best straks. Wees vriendelijk. Ge kunt dat.
Zegt Boerken.

De Gladde Zakenman neemt de melk aan en zegt dat het Madrid was en dat het er de hele tijd meer dan 40 graden warm was en dat hij er sliep in een hotel bij het park en er 's nachts aan Hong Kong denken moest.

Vond ge Hong-Kong mooi?
Vraagt Boerken.
Of gewoon indrukwekkend, overweldigend?

Hong Kong is mooi, Boerken. Het eiland is indrukwekkend mooi. De wolkenkrabbers stapelen er zich op tegen de zee aan en kruipend tegen de berg. De duizenden boten en bootjes krioelen in de zee-engte tusse het vasteland en het eiland. De overzet laveert er niet tussen, maar gaat recht op zijn doel af en de bootjes moeten wijken. De straten zijn eng en druk en het is er drukkend warm. Onder de wolkenkrabbers, in de schaduw van de betonnen nesten, tsjilpen duizenden vrouwen en kinderen gehurkt bij elkaar. Het zijn de poetsvrouwen met een vrije namiddag. Hun geluid is net dat van duizenden mussen en het blijft hangen en galmen. Ik reed er rond met de taxi en met zakenvrienden. We reden tot bij de top en aten en dronken er. Daarna wandelde ik doorheen het tropisch regenwoud aan de andere zijde naar beneden tot bij de stranden, die wit zijn en exotisch en waarlangs duizenden bars staan. Ik at en dronk en babbelde er uren in een Engelse pub. In zee liggen kleine eilanden. Er varen duizenden bootjes. Soms komen er gigantisch grote containerschepen langs. De luchthaven is wat verderop en je ziet de vliegtuigen laag en traag invliegen.


Ja?
Zegt Boerken.
En?

Zijn stem draagt geen ironie in zich en De Gladde weet niet wat daarmee te doen. Hij neemt de melk aan en stapt zonder een woord in de auto. Voor hij de deur sluit wil hij nog wat zeggen, maar de woorden zijn als een te grote zeepbel die tegen een boomtak waait, uit elkaar gespat en zijn verdwenen. De Gladde glimlacht en Boerken sluit de deur van de auto en tuurt even links en rechts en doet dan teken dat De Gladde veilig achteruit kan rijden. Hij trekt de pet dieper over de ogen en stapt, handen in de zakken, het erf op.

donderdag 29 december 2011

Vuurwerk 2012

In 2011, had ik me plechtig voorgenomen, zou ik niet veel grollen en grommen en het cynisme inruilen voor vreugde en vrolijkheid en luchtige bedenksels en vertelselkens.


Dit schreef ik om het jaar te openen de eerste januari van dit jaar. Een voornemen zowaar, dat ik niet waargemaakt heb. In tegendeel. Cynisme is me als ademen soms, iets wat ik niet vermijden kan tenzij ik sterven wil. Ik schreef:

En toen werd het 31 december 23:30 en dan moet je het feest verlaten. Dat is, kort voor het ceremoniƫle aftelmoment een beetje lullig en asociaal. Je kan niet anders, want zo dadelijk zullen hysterische buren het fijn en nodig vinden om vuurpijlen in de lucht te schieten en hun en de wijde omgeving te veranderen in een oorlogsgebied waarbij Tripoli een fijn dorpje lijkt. En je wil toch wel de katten veilig hebben, en de hond en je wil de paarden in de gaten houden, in de stallen en op de weide, want als die uitbreken in paniek is de schade niet te overzien.

En dan kom je thuis, bijna middernacht en meteen heb je handen en ogen te kort, want wachten tot middernacht is voor sommigen te lastig.

Op de weides lopen de jonge paarden zich in paniek bijna te pletter tegen de omheining, keer op keer, opgejaagd door het bombardement in het oosten, het westen, het zuiden, het noorden, boven hun hoofden, telkens opnieuw oorverdovend en hel lichtend als bliksem. Op de weides in de verte zie je mensen even vertwijfeld als wij, wanhopig hun paarden in toom houden.

In de stallen lijkt het wel oorlog. De paarden briesen, steigeren, hinniken, stampen met grote bange ogen en de oren plat in de nek. Uit de bomen boven de stallen vluchten de vogels. De hond is doodsbang, een van de katten is onvindbaar. Een vuurpijl slaat te pletter tegen de bomen en valt knallend op de piste. Geen tien meter van de hooizolder. Ik vloek en tier. Schreeuwend vraag ik, handen zwaaiend in de lucht om de veulens op hol hij de omheining weg te houden, of die klootzakken zich nu beter voelen, of hun jaar nu fan-tas-tischer zal worden?!

Kortom, middernacht is voor ons en zoveel andere mensen met dieren gedurende bijna een uur het overleven van een lange burgeroorlog van opgefokte macho's die elkaar willen overtreffen met nog luider knallende, mooiere en straffere vuurpijlen. Afschaffen die handel.

Waarom zijn mensen zo graag collectief hysterisch? Vuurwerk bij Nieuwjaar. In de file naar zee in de zomer. Zwaaien met witte zakdoeken op trouwfeesten. Kan me eigenlijk geen zak schelen. Ieder doet wat hij of zij niet laten kan. We hebben allen bij onze geboorte verstandelijke vermogens gekregen en een vrije wil. We kunnen dus nadenken. We kunnen dus neen zeggen tegen de meute. We kunnen rekening houden met de medemens en het milieu. Geen kruitdampen. Geen oorlogje voeren om een nieuw jaar te vieren. Laat de champagne knallen.


Ik neem daar geen woord van terug. Integendeel. Ik weet nu al dat het dit jaar nog erger wordt. Mensen leren niets af. Ze leren bij. Dit jaar knalt het harder en hoger en heviger en langer en voller en geweldiger.

Ach, ik gun het ze wel. In kleine afgesloten ruimtes bijvoorbeeld.

Hong Kong Nights

De Gladde Zakeman zit langs de rivier en drinkt muntthee en kijkt over het water en schrijft op zijn Blackberry.

Het plein is een meer. Een plas van kasseistenen die gloeien in de lage zon die nog steeds hitte spuwt. Er is geen wind. Een kwart van het plein, waar de mensen bij elkaar kruipen, ligt in de schaduw. Bij elke beweging glijdt warm en zilt zweet langs de rug naar beneden en dat koelt amper. Midden het plein staat in brons een machtig ruiter boven ons verheven op een massieve steen waarop zijn naam. Tegen de zon in kijk ik hem in het gelaat. Hij kijkt over me heen. Voor altijd.
De gebouwen rond het plein zijn hoog. Met regelmatige grote ramen. Boven onder de daken wonen duiven en mensen in zolderkamers. De duiven schijten op de machtige veldheer en strijken op het plein neer, als een hongerige bende plunderaars zonder god noch gebod, eergevoel of mededogen. De mensen onder de daken ontvluchten de warmte in hun kamers voor die de lucht laat koken en ze stoom ademend inwendig verbranden. Ze zitten in smalle stoeltjes op de kleine terrasjes voor hun luiken en kijken neer op de duiven, de toeristen, de veldheer en de kasseistenen die zinderen in het zware licht.
Ik loop om de veldheer heen en groet hem niet.

Iets lager dan het plein, verborgen in de gestolde schaduw en later in de donkerte van de avond loop ik een overdekte markt binnen waar het ruikt naar kleuren en geurt naar smaken en smaakt naar kleuren en het zoemt er van mensen en hun gesprekken. Ze eten en drinken en lachen. Het is zondagavond. Er zoemen airco's en er staan vernevelaars. Ik drink witte wijn en eet oesters en spreek mensen aan en verzuip me in de zee van de zoete chaos. Ik drink rode wijn en eet vlees en gamba's en inktvisringetjes en als mijn honger zwijgt, drink ik een laatste glas zware, bijna inktzwarte wijn.
Ik stap de nacht in die nog steeds koortsig warm is en verdwaal in de stad en in de bars.
's Nachts zit ik op mijn dakterras. Binnen zoemt de airco. Tegenover me ligt het grote park dat bijna een bos is en het is er stil. Ik drink water en lees een boek.

Ik leg mijn hoofd in mijn nek en sluit de ogen. Ik zit in de sky-bar en kijk uit over de zee die een rivier lijkt hier en waarop honderden boten liggen en kriskras langs elkaar heen varen. Ik eet superieure aziatische keuken en drink de beste Franse wijnen en bij een glas Talisker doven de lichten in de bar en start de lichtshow die langsheen de skyscrapers op het eiland danst. Iemand snuift poeder, ongegeneerd vanaf de tafel. De kelner kijkt opzij, ontvangt de fooi en verzamelt zorgvuldig de restjes.

Ik open de ogen en drink water.

Ik sluit de ogen en ik word ziek in een tropisch roversnest. Ik ben er alleen en raak 5 dagen de hotelkamer niet uit. Ik overleef op water en heb zoveel koorts dat ik hallucineer. Na 5 dagen ben ik niet dood. Ik leef nog en bel roomservice.

De dag erna vlieg ik met de 747 naar Europa.

Rubens, zielen en kano

Boerken zit bij de Droeve Dichter aan de verweerde kromme tafel in het Donker Kot en drinkt jenever en ruikt naar paarden en koeien en mest en hooi en stro en de Noordenwind.
Waar is het Meisje gebleven?

De Droeve Dichter kijkt op van zijn zwarte letters op wit papier en kijkt naar buiten, en dan kijkt hij Boerken aan, maar hij zegt niets.

Sinds we met haar aan zee waren, daar in de duinen, is ze nog een paar keer bij mij op de boerderij geweest. Ze praat met me en ik begrijp haar en nadat ze uitgepraat is, ben ik haar woorden kwijt en blijven enkel beelden, die zacht zijn en ijl als de polders zo tegen zonsopgang in de zomer. Laatst was ze bij me in de stallen, tussen de paarden. en daarna was ze er niet meer en twijfelde ik of ik ze wel gezien had. Ze lijkt wel een geest, maar ze maakt me niet bang.


De Droeve Dichter legt de pen neer, zucht zacht en praat.

Ze is een dolende ziel, Boerken, die niet echt een lichaam nodig heeft. Ze praat oude talen zonder woorden. Ze toont oude beelden zonder beweging. Ze is wat we vroeger een engel zouden genoemd hebben. Ze waart rond hier op aarde, aan zee en in de polders en in de bossen en langs de rivieren. Ze loopt over water en drijft op de wolken. Ze droomt zich een wereld en wij zijn in die wereld. Ze is niet veraf en niet dichtbij. Ze is niet stil en zegt niets. Ze praat en we horen geen woorden. Ze kijkt ons aan en we zien onszelf. Jij ziet de zee. Ik zie wolken. We dromen haar en zij droomt ons. Je noemt haar het Meisje van de Zee, Boerken, maar de zee, dat is de oneindigheid, de eeuwigheid, de onmetelijkheid, de kracht, de rust, de puurheid. Je zegt dat ze verdwijnt en dat je twijfelt of ze er was. Maar ze was er, anders kan ze niet verdwijnen. Ze is een oude ziel. ik weet dat je nu denkt dat ik niet alleen een droeve, maar eveneens een dwaze dichter ben, Boerken. Dat kan best zijn. Ik zie wat ik zie. Ik weet wat ik weet. Ik geloof wat ik geloof.


Boerken zegt niets en zwijgt als het Meisje plots in de keuken de verse munt in kokend water water hangt. Ze drinkt de thee in kleine glaasjes. Ze praat in beelden.

De Oude Knorpot komt het Donker Kot binnen, loopt iedereen voorbij die rond de tafel zit, neemt een Duvel uit de ijskast en een glas en schenkt tot het schuim net over de rand torent. Dan gaar hij aan de tafel zitten. De anderen zijn stil. Ze weten dat de Oude wat te vertellen heeft, als hij zo doet.
Laatst was ik met vrienden op stap. We aten en dronken en ik probeerde mee te praten, maar ik ben niet zo'n prater, ik ben eerder een verteller die meestal stil is en in zichzelf gekeerd en dus hield ik me afzijdig en stil en ik genoot op mijn manier. De avond schoof voorbij als een kano op een rustige brede stroom onder de volle maan. We vertelden over hoe we waren als we jouw leeftijd hadden, Droeve Dichter, en ik wilde weten wat we toen droomden, want op die leeftijd is je geest nog open en koester je dromen. De mensen met wie ik er was... Ken je het gevoel dat je dingen wil zeggen en dat je die niet zeggen kan, omdat sommige dingen geen woorden behoeven. Of verdragen? Wij droomden. Net als jij Droeve Dichter, die schrijft aan je gedichten en je roman en je verhalen.

Een paar tafels verderop zat de Gladde Zakenman te eten met zakenpartners denk ik en achteraf zat hij aan in de bar. Hij deed alsof hij me niet kende. Aan de bar werd gelachen en gegrold en gegrapt en de zakenman zag bleek als spook en ik zag de leegte in zijn ogen. De anderen lachten verder. Ik keek in zijn ogen en zag zwarte leegte.

Ik zat met vrienden en we aten en dronken en lachten en luisterden naar zij die de gesprekken gaande houden als de anderen als ik zwijgen en ik vroeg hen naar hun dromen en ik deelde mijn droom.
Soms zijn dingen mooi in hun eenvoud. Een tafel. Lekker eten. Lekkere wijn. Vrienden. Stiltes. Gesprekken.

Enige weken geleden verdwaalde ik in de stad. Ik liep een kathedraal binnen en ademde de ruimte en de schilderijen die er hingen. Iemand fluisterde me een vraag als een droom in een droom en vroeg of de schilder zelf die dynamiek bedacht had, dat lijnenspel en dat evenwicht in kleuren en vlakken en vormen. Ik wist wel zeker van wel.
Wat verderop zat een vader gepassioneerd te vertellen bij een schilderij en zijn twee dochtertjes luisterden echt. Hij meende elk woord en ik wou naar hem toestappen en hem zeggen hoe bijzonder ik dat vond. Maar ik ben een Oude Knorpot en die zwijgen en kijken. Ik zag een meisje en een jongen hand in had, soms teder kussend. Ze ontstaken tweemaal een kaars en ik zag hoe gemeend hun gebaren waren en ik wou naar hen toestappen en hen zeggen hoe bijzonder ik dat vond. Maar ik ben een Oude Knorpot. Een observator. Een seismograaf.
Ik keek omhoog.

Sommige van mijn vrienden hadden dromen. Anderen niet. Ik had dromen. Wie dromen had en ze niet heeft kunnen waarmaken, koestert de dromen van toen. En mijdt de schaduw ervan.


De Droeve Dichter kijkt weer op en stopt even met schrijven.
Engelen dromen niet. Ze kijken naar de mensen en hun dromen en leven in het hier en nu en in het eeuwige moment. Want ze kennen geen tijd. Hun tijd is bevroren.

Boerken mompelt in zichzelf:
Gij en uw engelen. Ik droom ook niet en ik ben zeker geen engel. 's Nachts droom ik van mooie groene weides en akkers vol gewassen en kuddes koeien en sierlijke paarden en het harde labeur. En overdag hoop ik op regen na de droogte en op droogte na de regen. Maar dromen, dat is voor U, Dichter. Ik ben weg. Salut


En Boerken drinkt zijn jenever leeg en staat op. De Oude Knorpot gaat in de keuken en schenkt een tweede Duvel. De Droeve Dichter schrijft verder en het Stille Meisje nipt van haar thee.

maandag 26 december 2011

Beste Elio,

Zonder U, weten wij Vlamingen weten geen blijf met onszelf.

Ik verklaar:

Zonder bezetter zijn we niets. Wij bestaan bij de gratie van een of andere vijandige mogendheid die onze streken binnen is gevallen om er de baas te spelen. Want wij doen niets liever dan ons daartegen af te zetten. Spanjaarden, Oostenrijkers, Romeinen, Nederlanders, Fransen, Duitsers, Walen,... Het kan ons niet schelen wie. Zolang ze maar ons land bezetten op een of andere manier en hun eigen wetten opleggen, want dan kunnen wij, Vlamingen, onze ware volksaard ten volle tot zijn recht laten komen: het volkomen negeren van gezag en wetten. We laten de bezetter graag raaskallen en schreeuwen en roepen en strikt zijn en streng. We doen alsof het niet gebeurt en we doen gewoon ons eigen ding. Tot er geen bezetter meer is en we er ineens achter kopen dat we niet weten wat dat is: ons eigen ding. We hebben geen eigen ding. We bestaan niet? We bestaan enkel bij de gratie van de ander.
Daarom, meneer Di Rupo, mogen U en de koning en de Walen nooit versagen. Blijf ons belagen en bestoken, blijf ons kleineren en blijf ons uw taal en cultuur en uw Zuiderse luimen opdringen. Wij Vlamingen smeken het U. Zonder Uw inspanningen gaan wij ten onder.
Niet dat wij Helden zijn in Het Verzet. Vlamingen verzetten zich niet. Vlamingen blinken niet uit in het Heldendom. Vlamingen hebben geen grootse plannen en willen de mens en de mensheid niet redden. Vlamingen zijn op hun best als ze kunnen doen alsof wetten niet bestaan en als ze al zouden bestaan, dan gelden ze voor iedereen, behalve voor henzelf. Wij houden wel van Pallieters, Uilenspiegels, Reinaarden De Vos. Die goedlachs opkomen tegen het gezag, met goede luim, humor en een kwinkslag. En die er zelf betere en vetter van worden. We houden niet van martelaren. Daarom, Elio, is die Dikke Bart zo populair bij ons. Komt op tegen U, de Stoute Meneren uit De Walen. Daagt U een beetje uit. Grapt en grolt. Eet en drinkt en doet zijn ding. En wordt er beter van. Bart De Wever is de nieuwe Uilenspiegel. Hij pikt niets van U. Hij pikt alleen van onszelf. Maar daar malen wij niet op. Hij dolt een beetje met U, spreekt straffe taal, vooral als U er niet bij bent. Hij geeft ons leven kleur. Laat ons Vlamingen onszelf zijn.
We hebben jullie kado gekregen, daar in 1830 of zo. We zijn er straks 200 jaar mee zoet gebleven. Niemand diende onze gewesten in te nemen en plat te branden en onze vrouwen en kinderen te doden en onze velden en winkels te plunderen. U hoefde niet veel te doen. Dat lag dan weer, denken wij, in Uw volkse aard. En wij konden blijven geloven dat U en de Uwen de Grote Vijand waren. Wie Belgie bedacht heeft, was een groot denker, zoveel is zeker. Elke zijn rol. Ontneem ons deze leute niet.

Iets anders, Meneer Di Rupo,

Wij Vlamingen, leveren ongetwijfeld de volgende Olympische kampioenen trampolinespringen, dat wist U al. Wat U ook moet weten, is dat wij een volk zijn dat boeken koopt en aan elkaar kado geeft en dat we meesterkoks zijn en dat het ene iets te maken heeft met het andere. Wij Vlamingen zijn de wereldkampioenen kookboeken kopen. Vlamingen lezen zelden een boek. Wie leest die is geen echte Vlaming. Vlamingen zijn geen lezers. Wij kopen boeken. Liefst kookboeken. Wat zeg ik? We kopen kookboeken. Punt. Zijn er andere boeken? Wellicht wel. We kopen in grote getale kookboeken en weten dan ook alles van en over vernuftige bereidingen. Ook al omdat je geen televisie kunt kijken hier in Vlaanderen, zonder gebombardeerd te worden met kookprogramma's in alle maten en soorten. Wij Vlamingen zijn de koningen de kookkunsten. Frietkoten, Pitta's en Chinezen gaan kapot bij gebrek aan klanten, diepvries- en kant-en-klaar-maaltijden kennen hier geen afzet. Wij Vlamingen eten alleen de meest uitgelezen gerechten (woeha voor de woordspeling).

Toedeloe, Geachte Waal en Geliefde Grote Bezetter. U zal ons nieuwe wetten dicteren. U zal ons leven drastisch wensen te veranderen.Wij zullen U met overgave negeren. Het is Uw doel in dit leven en dat van ons Vlamingen eveneens.

G