Dichter zit mokkend in het donker en op de duur zit het donker in hem en ademt hij duisternis in en ademt hij zwart uit in trieste woorden die ademloze werelden bouwen vol treurnis en ellende en eenzaamheid want tristesse is per definitie een allenige bezigheid.
Dichter schrijft trieste woorden met zwarte inkt op korrelig papier en denkt niet aan morgen. Enkel gisteren telt en alles wat daaraan vooraf ging gedrenkt in drek en viezigheden. Dichter schrijft de leegte en laat het donker in zich wonen.
De tergend langzaam meanderende levens van Droeve Dichter, Boerken, Oude Knorpot, Gladde Zakeman, Stil Meisje, Grijze Filosoof, Buurmans en de Trage Stroom.
zaterdag 2 juni 2012
Denkpatronen, Boerken en de Filosoof
Het wordt noen en de zon staat hoog en brandt de wolken weg en wint de strijd tegen de kille wind. De polder warmt op, beschermd door de aarden dijken en de schermen van hoge bomen die ruisend de wind breken.
Boerken zit in een stoel en denkt dat jullie nu wel moeten denken dat Boerken altijd wel ergens zit. Aan de tafel bij Dichter of in de tuin van Dichter onder de Es of de Kastanjelaar, of op de tractor tuffend naar Doel of de Zee, zittend in de duinen of op zijn eigen hielen als een krukje onder de kont of in een lage stoel tussen de weides of op de grond in het gras of zoals nu in een stoel op zijn erf turend over de polder waar paarden grazen en de kievitkuikens rennen als schichtige kiekens op speed.
Boerken grijnst en belt met zijn iphone naar iemand aan de andere kant van de wereld waar het nu avond is.
Grijze Filosoof komt naast hem staan en zegt dat hij gisteren met Dichter sprak over Motorenman die nu aan de andere zijde met de motor door de mooiste landschappen mag toeren en de kracht van woorden.
Boerken kijkt niet op en mompelt dat de kracht van woorden in hun hulpeloosheid zit en dat ze leeg zijn en zwak en hol als we ze niet lezen of uitspreken en Grijze Filosoof klopt Boerken op de schouder grijnzend en zeggend dat Boerken eigenlijk een dichter is. Boerken reageert niet en ze kijken allebei zwijgend over de polder. Minutenlang.
Dan zegt Boerken: "Ik ben geen dichter, want ik schrijf mijn woorden niet en ik plaats en verplaats ze niet tot ze juist staan en mooi klinken en ik ben ook geen filosoof zoals gij, want ik denk niet na over het leven, ik leef het gewoon."
En voor Grijze Filosoof wat kan zeggen, gaat Boerken verder:
"Neen. Niet waar. Ik leef het niet gewoon. Het leven woont in mij en ik laat het leven."
Filosoof denkt en denkt en denkt dat hier iets niet klopt. Boerken staat op, grijst, duwt Filosoof in de stoel en zegt dan: "Voila, iets om over te peinzen en piekeren en filosoferen. Goeie namiddag nog."
En hij stapt weg, Boerken, door de polders de dijk op en laat Filosoof achter.
Boerken zit in een stoel en denkt dat jullie nu wel moeten denken dat Boerken altijd wel ergens zit. Aan de tafel bij Dichter of in de tuin van Dichter onder de Es of de Kastanjelaar, of op de tractor tuffend naar Doel of de Zee, zittend in de duinen of op zijn eigen hielen als een krukje onder de kont of in een lage stoel tussen de weides of op de grond in het gras of zoals nu in een stoel op zijn erf turend over de polder waar paarden grazen en de kievitkuikens rennen als schichtige kiekens op speed.
Boerken grijnst en belt met zijn iphone naar iemand aan de andere kant van de wereld waar het nu avond is.
Grijze Filosoof komt naast hem staan en zegt dat hij gisteren met Dichter sprak over Motorenman die nu aan de andere zijde met de motor door de mooiste landschappen mag toeren en de kracht van woorden.
Boerken kijkt niet op en mompelt dat de kracht van woorden in hun hulpeloosheid zit en dat ze leeg zijn en zwak en hol als we ze niet lezen of uitspreken en Grijze Filosoof klopt Boerken op de schouder grijnzend en zeggend dat Boerken eigenlijk een dichter is. Boerken reageert niet en ze kijken allebei zwijgend over de polder. Minutenlang.
Dan zegt Boerken: "Ik ben geen dichter, want ik schrijf mijn woorden niet en ik plaats en verplaats ze niet tot ze juist staan en mooi klinken en ik ben ook geen filosoof zoals gij, want ik denk niet na over het leven, ik leef het gewoon."
En voor Grijze Filosoof wat kan zeggen, gaat Boerken verder:
"Neen. Niet waar. Ik leef het niet gewoon. Het leven woont in mij en ik laat het leven."
Filosoof denkt en denkt en denkt dat hier iets niet klopt. Boerken staat op, grijst, duwt Filosoof in de stoel en zegt dan: "Voila, iets om over te peinzen en piekeren en filosoferen. Goeie namiddag nog."
En hij stapt weg, Boerken, door de polders de dijk op en laat Filosoof achter.
Nooit meer slapen
Boerken zit zoals de Chinezen gehurkt met de eigen hielen als een krukje onder zich.
Hij zit tegen een muur en probeert zoveel mogelijk zonnewarmte te vangen waar die weerkaatst wprdt tegen de witte bakstenen en op de grijs stoffige bodem. Een kille wind sluipt zurig langs zijn lijf telkens hij weer wat op temperatuur komt. Zijn ogen tranen van de zon en de wind. Zijn neus voelt druiperig. Zijn rechteroor doet zeer. Zijn hoofd gonst en bonst. Boerken haat dit en is er stil van.
Achter hem snuiven en stampen de paarden in de stallen. Boerken is moe. Zijn armen en benen zijn zwaar en loom en voelen vreemd. Zijn maag draait.
Het stof waait op. Het heeft geregend gisteren maar daar merk je niets meer van. Boerken moet werken, maar zit als de Chinezen op de eigen hielen gehurkt, met de ellebogen steunend op de leuningen van zijn bovenbenen. Hij trekt zijn ogen tot spleetjes. Niet om er dat extra vleugje Aziatisch bij te voegen, maar omdat hij tegen de zon in kijkt.
Hij sluit de ogen en haast onmiddellijk overvalt hem een diepe drang te slapen.
Nooit meer slapen.
Hij zit tegen een muur en probeert zoveel mogelijk zonnewarmte te vangen waar die weerkaatst wprdt tegen de witte bakstenen en op de grijs stoffige bodem. Een kille wind sluipt zurig langs zijn lijf telkens hij weer wat op temperatuur komt. Zijn ogen tranen van de zon en de wind. Zijn neus voelt druiperig. Zijn rechteroor doet zeer. Zijn hoofd gonst en bonst. Boerken haat dit en is er stil van.
Achter hem snuiven en stampen de paarden in de stallen. Boerken is moe. Zijn armen en benen zijn zwaar en loom en voelen vreemd. Zijn maag draait.
Het stof waait op. Het heeft geregend gisteren maar daar merk je niets meer van. Boerken moet werken, maar zit als de Chinezen op de eigen hielen gehurkt, met de ellebogen steunend op de leuningen van zijn bovenbenen. Hij trekt zijn ogen tot spleetjes. Niet om er dat extra vleugje Aziatisch bij te voegen, maar omdat hij tegen de zon in kijkt.
Hij sluit de ogen en haast onmiddellijk overvalt hem een diepe drang te slapen.
Nooit meer slapen.
vrijdag 1 juni 2012
Eenzaam
Boerken zit tegen de grond in de weides waar de roeken en de kraaien en de eksters zich met elkaar meten om uit te maken wie het slechtste karakter heeft en het lijken wel mensen.
Tegen de grond zittend bekijkt Boerken de wereld van onderen af en lijken de dingen groter en machtiger en zelfs mooier. En is het gras dichterbij. Boerken strekt de vingers en voelt het kille, strakke stevige gras dat licht vettig voelt.
Langs de grond scheert een kille wind die de vochtigheid van de grond opzuigt en zich dan komt nestelen rond je lijf als een kille slang die langs je rug omhoog kruipt.
Boerken denkt over het hier en nu en over het leven aan de andere zijde van de trage stroom. Hoe mensen er hun leven leiden en vergeten de stroom over te steken. Eerst vergeten ze het nu en dan. Daarna verschijnen ze slechts nu en dan en kijken ze verwonderd als je hen vraagt waarom ze nog zelden komen, want zo beleven ze het niet. En dan komt er een dag waarop ze de stroom niet meer oversteken, nooit meer.
Later kan je je niet herinneren wanneer je ze het laatst zag. En ze zullen nooit beseft hebben dat het hun laatste bezoek was aan deze zijde van de stroom. Boerken denkt zulke dingen en kijkt bitter omhoog vanaf de grond.
De kruinen van de populieren zijn diegroen en vol en de dikke hartvormige bladeren ruisen luid in de avondwind. Merels fluiten, eksters krassen, vinken zingen elk hun lied.
Boerken zit en staart en kijkt bitter.
Over honderd jaar kunnen worden.
Een paar dagen geleden schreef ik nog dit, zonder te weten waarom, zegt Dichter en terwijl ze Duvel drinken, leest hij voor:
Knorpot kijkt met scheef hoofd en een beetje toegknepen ogen, half wegkijkend, zoals hij dat zo dikwijls doet, zeker als de alcohol zijn geest doezelig maakt en minder scherp.
"Dus dat schrijf jij over mij, Dichterke van mijn kloten?"
Dichter grijnst en zegt dat die woorden van Smid zo zwaar wegen ineens. Dat 'zo kunt ge wel honderd jaar worden', niet betekent dat je er honderd worden gaat. Dat dat nog maar een keer bewezen is. Een stomme ziekte komt langs en maait ineens alle leven dat nog op je wacht voor je voeten weg en voor je het beseft en anderen het beseffen is het over en gedaan.
Ze drinken en Dichter stapt terug naar binnen om nieuwe Duvels te halen. De dag is nog lang.
Later die avond zit Knorpot in de avondzon even op krachten te komen en laat hij zijn ingewanden het hunne doen met het eten in zijn lijf. Boerken is om een tweede lading massieve in folie gewikkelde pakken voordroog die elk evenveel wegen als een volwassen paard.
Naast Knorpot zoemt de oven van de smid en in de stallen hangt de scherpe geur van verbrande hoeven. Knorpot hoort het timmeren van Smid en het schuifelen en bang snuiven van een paard en het sissen als Smid de het hete ijzer tegen de hoef aan drukt. Een dikke witte rook sluipt uit de stallen de zonnestralen in.
Ineens staat Smid massief tussen Knorpot en de zon en hij werpt een schaduw over hem. Knorpot kijkt op uit zijn lage zetel, de ogen dichtknijpend tegen de zon in.
"Zo kunt ge wel honderd jaar worden", zegt de diepe schaduw van Smid en Knorpot zegt dat hij dat dat inderdaad het plan is.
Knorpot kijkt met scheef hoofd en een beetje toegknepen ogen, half wegkijkend, zoals hij dat zo dikwijls doet, zeker als de alcohol zijn geest doezelig maakt en minder scherp.
"Dus dat schrijf jij over mij, Dichterke van mijn kloten?"
Dichter grijnst en zegt dat die woorden van Smid zo zwaar wegen ineens. Dat 'zo kunt ge wel honderd jaar worden', niet betekent dat je er honderd worden gaat. Dat dat nog maar een keer bewezen is. Een stomme ziekte komt langs en maait ineens alle leven dat nog op je wacht voor je voeten weg en voor je het beseft en anderen het beseffen is het over en gedaan.
Ze drinken en Dichter stapt terug naar binnen om nieuwe Duvels te halen. De dag is nog lang.
Motorenman. Voor Dirk.
De Grijze Filosoof grijnst niet vandaag. Hij is stil. In de tuin zitten ze samen onder de es, waarvan de takken vol zware verse bladeren bijna tot de grond hangen. Het heeft geregend en de luchten zijn duizend tinten grijs. Ze zitten bij elkaar in de houten stoelen en zwijgen. Boerken, Oude Knorpot, Droeve Dichter en Grijze Filosoof.
Op de tafel tussen hen in staat koffie en verse thee van munt en honing en er ligt een kladboek waarop Grijze Filosoof iets geschreven heeft in een ingetogen handschrift.
Knorpot mompelt dat hij dat laatste begrijpt. "Soms zou ik zo graag gelovig zijn. Zoals nu. Hebben we niet allen houvast nodig? Soms."
Droeve Dichter kijkt even op, nipt van zijn thee en fluistert dat niets hen in de weg staat te geloven, soms. Terwijl hij dat uitspreekt bromt door de polder, van achter de dijk, waar de brede stroom traag stroomt vanuit de verre heuvels in Frankrijk naar de grijze zee in het Noorden, het intense grommen van een zware motor en ze kijken elkaar aan, zonder woorden.
Ergens schrijft iemand dat ze hoopt dat er voor Hem om wie ze treuren nu, een zware motor klaar staat, aan de andere zijde.
"Laten we afspreken dat we daar niet aan twijfelen", zegt Droeve Dichter, "Aan de andere zijde staat een lekker zware motor op hem te wachten en een fototoestel. En geweldige wegen met geweldige landschappen."
Ze wandelen de tuin uit, stappen tussen de weides de polder in. De paarden briesen en wandelen volgzaam mee. Bij de hoge dijk waar de populieren groeien tot in de hemel, stoppen ze even en ze kijken langs de bomen omhoog. De wolken zijn grijs. Ze klimmen langs een smal pad tussen het vette gras tot boven op de dijk en ze kijken over de trage stroom die naar zee vloeit in het gedempte licht en ze groeten Dirk.
"Ik noem hem Motorenman", zegt Dichter nog, en hij laat zijn woorden meevoeren door de wind.
Ze stappen de hele weg terug, zonder woorden en als ze in de tuin komen, breekt de hemel open en vloeit licht in de polder als water door een dijk die breekt. Droeve Dichter gaat naar binnen en als hij even later weer de tuin in komt, heeft hij bolle glazen bij zich en vier Duvels die hij openmaakt en zorgvuldig uitschenkt.
"Laten we er een Duvelkes Kermis van maken", zegt Dichter en ze klinken op Motorenman.
In de tuin zoeken twee merels naar voedsel. Ergens in de struiken zit hun nest.
Op de tafel tussen hen in staat koffie en verse thee van munt en honing en er ligt een kladboek waarop Grijze Filosoof iets geschreven heeft in een ingetogen handschrift.
Ook al hebben uitzonderlijke mensen zoals hij een duizendvoud meer aan ideeën tot realiteit gebracht dan een "gewone" mens, een leven gehad dat goed gevuld was, respect van zovelen gekregen; Als ze zo jong moeten gaan is dat alleen des te erger. Naast op de eerste plaats de veel te jonge kinderen die achterblijven, een partner die haar leven aan dat van hem had gebonden in zovele opzichten, geen gemis kan groter zijn dan dat van naaste gezinsleden, menselijke drama's die al meer dan volstaan om ook bij iedere buitenstaander een immense pijn en medeleven op te wekken, blijft er ook de wetenschap dat geen mens hem ooit zal kunnen vervangen. Een uniek mens is heengegaan. Jammer dat ik niet gelovig ben.
Knorpot mompelt dat hij dat laatste begrijpt. "Soms zou ik zo graag gelovig zijn. Zoals nu. Hebben we niet allen houvast nodig? Soms."
Droeve Dichter kijkt even op, nipt van zijn thee en fluistert dat niets hen in de weg staat te geloven, soms. Terwijl hij dat uitspreekt bromt door de polder, van achter de dijk, waar de brede stroom traag stroomt vanuit de verre heuvels in Frankrijk naar de grijze zee in het Noorden, het intense grommen van een zware motor en ze kijken elkaar aan, zonder woorden.
Ergens schrijft iemand dat ze hoopt dat er voor Hem om wie ze treuren nu, een zware motor klaar staat, aan de andere zijde.
"Laten we afspreken dat we daar niet aan twijfelen", zegt Droeve Dichter, "Aan de andere zijde staat een lekker zware motor op hem te wachten en een fototoestel. En geweldige wegen met geweldige landschappen."
Ze wandelen de tuin uit, stappen tussen de weides de polder in. De paarden briesen en wandelen volgzaam mee. Bij de hoge dijk waar de populieren groeien tot in de hemel, stoppen ze even en ze kijken langs de bomen omhoog. De wolken zijn grijs. Ze klimmen langs een smal pad tussen het vette gras tot boven op de dijk en ze kijken over de trage stroom die naar zee vloeit in het gedempte licht en ze groeten Dirk.
"Ik noem hem Motorenman", zegt Dichter nog, en hij laat zijn woorden meevoeren door de wind.
Ze stappen de hele weg terug, zonder woorden en als ze in de tuin komen, breekt de hemel open en vloeit licht in de polder als water door een dijk die breekt. Droeve Dichter gaat naar binnen en als hij even later weer de tuin in komt, heeft hij bolle glazen bij zich en vier Duvels die hij openmaakt en zorgvuldig uitschenkt.
"Laten we er een Duvelkes Kermis van maken", zegt Dichter en ze klinken op Motorenman.
In de tuin zoeken twee merels naar voedsel. Ergens in de struiken zit hun nest.
donderdag 31 mei 2012
Regen
En eindelijk regent het en de droge grond laat zich eerst amper blussen, lijkt droog te blijven als donkere poeder. De regendruppels maken plofgeluiden.
Boerken gaat in de regen staan en laat zich helemaal nat zeiken en hij lacht grommend luid. Het hooi is binnen. En het regent. Boeren zijn zelden content.
Knorpot komt er bij staan met de handen in de zakken en de ogen diep in de kas en dof kijkend en hij bibbert van de kou en klaagt en zaagt dat hij morgen ziek zal zijn. Boerken zegt dat ziek worden op bevel niet lukt en dus blijft Knorpot staan in de regen want behalve oud en knorrig is hij koppig als een ezel en is zijn kop hard als een kei.
Boerken gaat in de regen staan en laat zich helemaal nat zeiken en hij lacht grommend luid. Het hooi is binnen. En het regent. Boeren zijn zelden content.
Knorpot komt er bij staan met de handen in de zakken en de ogen diep in de kas en dof kijkend en hij bibbert van de kou en klaagt en zaagt dat hij morgen ziek zal zijn. Boerken zegt dat ziek worden op bevel niet lukt en dus blijft Knorpot staan in de regen want behalve oud en knorrig is hij koppig als een ezel en is zijn kop hard als een kei.
Abonneren op:
Posts (Atom)