Posts tonen met het label De dagen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De dagen. Alle posts tonen

maandag 24 oktober 2011

Over verdwijnen

'De wind is gekeerd', zegt Boerken, 'en hij is strak geworden en koud en vochtig. Morgen krijgen we kou en wolken en daarna vergeten we hoe de warmte voelde van de zomer.'
'Zoals mensen elkaar kunnen vergeten', zegt De Droeve Dichter, 'er is een dag waarop de wind keert en dat is meteen de laatste dag van de zomer. En de winter sluipt binnen en de zomer verbleekt als een schim aan de horizon in opkomende mist. En je vergeet de warmte van de zon en denkt dat er alleen kou is en grijzigheid. En sneeuw en ijs. En snerpende wind. Je kan veel in de zon zitten, zoals jij gisteren, Boerken, en proberen de zonnewarmte te tanken, en je kan proberen dat gevoel vast te houden en er tegen te vechten, tegen dat vergeten. Maar eens de zon steeds minder hoog boven de einder klimt en haar tocht langs de hemel spaarzamer wordt, vergeet je uiteindelijk haar warmte. De schim aan de horizon verdwijnt, en je weet niet wanneer precies ze uit je gezicht verdween, maar ze is weg. En je probeert de shim een gezicht te geven en een stem en een gestalte, woorden, zinnen, adem, ogen, een mond. Je vecht tegen het vervagen en je verliest. Altijd.'


'Schoon gezegd', zegt Boerken, 'maar dat bedoelde ik helemaal niet. Maar toch schoon gezegd. Ge mist het Stille Meisje, he. Ge vindt dat ge had moeten vechten en nu denkt ge dat als ge gevochten had, dat het dan anders zou zijn. Maar dat denk ik niet, droevigaard. Ze is zoals het water in de Schelde daar achter den dijk. Dat stroomt naar de zee. Wat ge ook probeert.'

'Denk je?'

zondag 23 oktober 2011

Populieren tellen

Boerken zit tegen een wilg beneden de dijk, uit de wind en met de zon pal op zijn kalende kop en hij kijkt naar de binnendijk aan de andere kant van de waarop een dubbele rij populieren staat, een rij aan de voet van de dijk en een tweede rij er boven op. De kruinen zijn vaal groen en bruinig en de balderen ritselen luid in de Zuidoosten wind. De hemel is helder, en het blauw is het lichtblauw van de herfst. Boerken wil de populieren tellen, maar is te lui om dat te doen en bedenkt dat het er veel zijn en dat de dijk lang is, want hij verdwijnt aan de einder en Boerken is tevreden met 'veel'.
Over de dijk wandelt het Stille Meisje en Boerken laat haar wandelen. Hij sluit de ogen en slaat de zonnewarmte op voor de winter.

zaterdag 24 september 2011

De Droeve Dichter en de nazomer

De Droeve Dichter zit op de hoge dijk en ziet het trage water dat naar zee stroomt en hij droomt van ze zee.
In de verte ziet hij het Stille Meisje druk pratend met de Scheve Schilder en in zijn hoofd gonst het onbegrip als een wespennest en in zijn lijf vreten de termieten van de ergernis. In zijn hoofd groeien steigerende woorden die wild om zich heen schoppen en briesen en dan ebben ze weg als de zee om te worden tot grijze trage slierten nevel van tristesse die kil zijn en klam.

Die ochtend zaten ze samen aan de tafel, hij en het Stille Meisje en hij vroeg of ze samen met hem wilde wandelen vandaag, langs de dijken en de polders in de zon van de late zomer en ze had neen gezegd, omdat het haar niet gepast leek vandaag en hij had op zijn lip gebeten van spijt omdat hij het gevraagd had en omdat hij gedroomd had van zwijgend wandelen met het sille meisje van de zee en de wolken.


Hij was gaan schrijven en toen hij het meisje even later zag vertrekken met de Scheve Schilder, uitbundig lachend, had hij haar bijtend gevraagd hoe dat kon en zij had hem verwonderd aangekeken en gezegd dat dat anders was, want dat de schilder gewoon een goeie vriend was met wie ze wilde wandelen en hij had gevraagd wat hij dan wel was en hij was zonder een woord te zeggen vertrokken, wild stappend en in zijn hoofd beukend en stampend en slaand en scheurend en roepend en tierend.

In zijn ziel kronkelen woorden als wurgende slangen en ze omsluiten zijn strot en hij stikt in zinnen die vuur vatten en verterend branden en dikke vette rook verduistert zijn verhalen.

Boerken en de kei

Boerken staat gebogen over zijn akker en wiedt het onkruid, geduldig en in stilte. De aarde is koud en de laatste lage mist lost op in het licht van een klimmende herfstzon die niet de kracht heeft van de zomer, maar die Boerken toch weet te warmen.De mais in het veld naast Boerken kleurt steeds grauwer en bruiner en de maiskolven zijn beige en de mais diepgeel. De zachte bries ademt en de mais ritselt als droog papier.

Boerken kijkt op en ziet een vlucht ganzen laag overvliegen, gejaagd. Hij buigt zich weer en wiedt verder. In zijn hoofd is de stilte van het land. De oneindigheid van de hemel, de rust van de wolken en de luwte van de zachte bries, de troost van de stijgende zon.

Aan de andere kant van de hoge dijk met de populieren duwt een trage stroom het water naar zee. Het water is stil en gewillig.

In de polders drinken de wilgen het water dat diep in de akkers stroomt. Boerken krijgt het warm en trekt zijn dikke jas uit en recht even de rug en tuurt over de polder naar de horizon en ziet daar een vage gestalte langs de dijk wandelen.

'Mensen die alleen zijn, zijn in rust', denkt Boerken en hij wiedt verder en in zijn hoofd stolt de tijd tot een tweekleurige kei.

Over de zee en het strand

'Vannacht was ik aan zee', zegt de Droeve Dichter. Hij zit tegen de stam van de eik in het vroege zonlicht en het gras is nat en blinkt. Het gras is fris groen met een gouden glans, denkt de Dichter.
De Scheve Schilder zit naast hem, op een stoel en tracht het beeld te vangen met waterverf op een handgeschept papier dat op zij schoot ligt en hij vloekt en miljaart omdat het niet lukken wil.
'De zee was zwart en traag als dikke vette olie. Het was donker en windstil. Het was koud. Het strand was breed en stil en zwart en over dat zwarte strand smolt de zwarte zee stil en langzaam en ik was klein, alleen, eenzaam. Ik voelde me bedreigd door de zee en de hoge duinen achter me. Ik heb een zin geschreven in het zand en ik heb iets geroepen over de zee van zwart lava en daarna ben ik de hoge duin opgewandeld en heb diep geademd en ben weg gegaan. Het was er koud en ik bibberde.'

De Scheve Schilder zegt niets en blijft knoeien, telkens op een ander blad en de Droeve Dichter laat de mislukte waterverfschilderijen drogen in de ochtendzon, om er straks overheen te schrijven met een dikke houtskool stomp in dikke vette zwarte letters die sterk staan en machtige woorden vormen in hakende zinnen die beelden maken in woorden die spreken over de zee en de tijd en de oneindigheid en de eeuwigheid en de rusteloosheid van de dolende zielen.

De Droeve Dichter schrijft geen woorden. Hij tekent woorden. Hij tekent beelden in woorden.
'Waarover ik niet spreken kan, schrijf ik, straks', zegt de Droeve Dichter.

De Scheve Schilder kijkt naar de Droeve Dichter, het hoofd wat schuin en snijdt scherp: 'Waarover ik niet spreken kan, zwijg ik gewoon. Misschien is dat wel beter, dichterke. Want jij schrijft wel vanalles, maar wat heb je er aan behalve de pijn bij het schrijven en de pijn bij het lezen achteraf, want jij schrijft alleen maar droeve dingen die de kleur hebben van trieste herfstdagen en donkere nachten.'

Daarna zitten ze stil naast elkaar. De Droeve Dichter verzamelt zijn woorden om ze straks te schrijven en de Scheve Schilder probeert wanhopig de vroege dag te vangen, tot de zon te hoog staat en de gouden gloed verdwenen is en niet gevangen op papier en hij opstaat en de Droeve Dichter groet.

'Ik ga Haar maar eens zoeken, denk ik. Ze zal nu wel al wakker zijn en ergens rondwandelen op de boerderij van Boerken, of langs zijn weides, zijn akkers, of langs de dijken of langs de stroom. Het is een mooie dag en ik heb zin om met haar rond te dwalen tot de avond komt en we honger krijgen en op het erf van Boerken het vuur ontsteken om er vlees te braden en aardappelen te koken en wijn te drinken tot we moe worden en we verhalen vertellen in de gloed van de vlammen tot die doven en het houtskool eerst rode sintels worden en daarna wit nog warmte stralen en de kou ons naar binnen jaagt.'

De Droeve Dichter laat elk woord van de Scheve Schilder krassen in zijn ziel en maakt er beelden van in zinnen.

dinsdag 20 september 2011

De Droeve Dichter en de zwarte inkt

De Grote Schrijver heeft het gehoord. Hoe hij de Scheve Schilder vergeten is. De Scheve Schilder die zo heet omdat hij bij het kijken naar zijn onderwerp zijn hoofd schuin houdt om diepte te zoeken met de ogen tot spleetjes geknepen om enkel de lijnen te zien en de contouren en de vlakken en zo de essentie te ontdekken en de bijzaken weg te laten met olieverf en olie terpentijn.
De Scheve Schilder komt de hof van de Droeve Dichter in en installeert zijn ezel met canvas en zijn tubes en zijn borstels en palet en de Dichter ziet hoe het Sille Meisje bij de Schilder gaat zitten in he gras, schuin achter hem, om zo het schilderen te volgen en dan ziet hij hoe ze praten hoe ze lacht en neen schudt en hoe de schilder wijst en overtuigend praat, met wijde gebaren. En dan ziet de Droeve Dichter vanaf zijn verweerde ruwe kromme tafel hoe het meisje gaat zitten poseren en hij ziet hoe de Scheve Schilder het hoofd schuin houdt en zorgvuldig aan het schilderij werkt en hoe ze praten en lachen terwijl, uitbundig als de zon en hij heeft spijt dat ze de Grote Schrijver aan de Scheve Schilder hebben doen denken en hij vloekt en schrijft venietigende teksten met etterende woorden in zwarte inkt.

maandag 19 september 2011

Alleen op de wereld

De Droeve Dichter gaat de tuin in en wacht tot het Meisje naast hem komt zitten onder de eik omdat hij haar wil laten lezen wat hij geschreven heeft en als ze buiten komt, stapt ze in de riching van de boerderij van Boerken en de Droeve Dichter kijkt haar na en scheurt de papieren in zijn handen en denkt nooit meer te schrijven, want ze is als de wolken. Ze komt en gaat en laat zich niet vangen. Hij wil haar na roepen, maar hij zwijgt. Hij is alleen.

zondag 18 september 2011

Knoprpot over Het Criterium Van Vlaanderen, de Muur en appels en peren.

Knorpot zit bij Boerken buiten op het erf en het Meisje is wat verderop in de boomgaard en Knorpot haalt zijn hart op want hij kan grollen en brommen op de onnozelheden van de Belgische politiek die de splitsing van ochot Brussel, Halle en Vilvoorde historisch durven noemen in een wereld die steeds globaler wordt en op de geldwolven van De Vijver die de van de Ronde van Vlaanderen een VIP criterium maken in hun onblusbare honger naar omzet en meerwaarde. Knorpot zaagt en klaagt en Boerken aanhoort het grijnzend, maar het kan Boerken allemaal weinig schelen dezer dagen want het Meisje woont in zijn boerderij en helpt hem met plukken in de boomgaard.
"De Muur moest er uit omdat de Wouter het niet kon hebben dat anderen geld verdienen aan zijn Ronde en omdat als je dreigt en je niet wint je je dreigement moet uitvoeren, moest de Muur wel verdwijnen. En drie keer over dezelfde helling die bezaaid staat met VIP tenten. Dat is een criterium he. Straks schrijven die mannen van Woestijnvis het script en dat moeten de coureurs dat uit het hoofd leren en is er generale repetitie en roepen ze in het oortje wanneer de ene moet aanvallen en de andere de benen moet stilhouden. Spannend moet het zijn en op het einde wint de meest betalende ploeg, natuurlijk. En de VIPS doe komen vreten en zuipen en netwerken en die van de koers geen bal begrijpen en er ook geen interesse voor hebben, die zijn content en betalen veel geld en dus is Wouter content en de rest is bijzaak. Koers zal nooit meer hetzelfde zijn."
"Jaja", mompelt Boerken, " en dan?"

Het Meisje komt uit de bomgaard. Ze straalt. De hemel is hel en bezaaid met vele lagen wolken met daar tussen fele lichtstralen en in haar schort draagt ze een paar kilo appels en peren en ze geeft een appel aan Boerken en die bijt er in en smakt en Knorpot proeft ook en zwijgt.

vrijdag 16 september 2011

A horse with no name

Terwijl de Gladde Zakenman grootse verhalen vertelt over een ochtend
in een Spaanse berghotel met Iggy Pop aan het zwembad met twee
groupies en over een nacht in het Zuiden van Spanje met Tom Barman en
een gekend Vlaams grootindustrieel en veel te veel drank en over een
poepsjiek hotel in Jakarta waar je de lift niet in en uit kan en geen
gang kan betreden of geen bar binnen- of buitenstappen zonder
aangesproken te worden door jonge meisjes die duidelijk maken wat ze
aanbieden en over een nacht in Vegas met een sponaan optreden van
Prince en over de Sky Bar in Hong Kong met Tom Cruise en een rit van
een hotel in Chattanooga naar een festival in de stad samen met de
heren van ZZ Top die hem een lift en een backstage gaven. En het
meisje maakt het-middelvinger-in-de-keel-om-te-kotsen-gebaar naar de
dichter en die zegt te moeten gaan pissen en als hij terugkomt zit het
meisje alleen aan tafel, stomverbaasd en dan ziet ze de dichter
triomfantelijk grijnzen en ze weet niet of ze die grijns fijn moet
vinden of niet, want die grijns is beangstigend zelfzeker en de dichter
gaat zitten en kust haar op de lippen, iets wat hij nooit gedurfd
heeft en zegt net iets te achteloos verbaasd: "Waar is de Zakenman?"
En als het meisje zegt dat die ineens vertrokken is, zonder een woord
en zonder te vragen of ze wel thuis raken, luistert de Dichter schijnbaar verbaasd en hij hoort dat de Zakenman wel zijn creditcard heeft gelaten om te betalen en het Meisje kijkt de jongen diep in de ogen en vraagt of hij ermee te maken heeft? En de jongen kijkt haar op zijn beurt diep in de ogen en zegt "Neen, natuurlijk niet." En hij kust haar lief op het voorhoofd en ze gelooft hem en dan zegt hij :"Niet ik, maar de geldhonger van de Gladde en one-trick-pony-Zakenman en een aantal handigheidjes die hij me geleerd heeft en een smartphone en een verborgen nummer zijn een waarlijk goddelijke interventie te noemen. Het doel heiligt de middelen en als het nog eens plezant is bovendien
is het dubbel genieten. Wijntje?"

Het meisje voelt een vreemde kille wind en ze ziet de hardheid in zijn
ogen en de zelfzekerheid in zijn houding en is bang van de dichter,
net zoals hij bang zou zijn als hij zou weten dat ze niet het Stille
Meisje is dat hij kent, maar de Uitbundige Koningin van de Bende van
Doel en de Vriendin van Knorpot en de Onbereikbare Liefde van Boerken.
Die ontnuchtering wordt hem nu nog bespaard en hij neemt haar hand en
vraagt of ze samen gaan wandelen langs de zee. Hij betaalt met de
creditcard, geeft een fikse fooi en trekt zijn dure Italiaanse
schoenen uit en roept "Wie heeft maat 42?" en geeft de schoenen weg
aan een bejaarde man en rolt daarna de broekspijpen omhoog en maakt
zijn haar warrig en danst dol van geluk met haar naar buiten.

"Ik ben door de woestijn getrokken." zegt hij," op een paard zonder
naam. In de woestijn kon ik mijn naam onthouden, want er is daar niemand die je pijn kan doen."

dinsdag 13 september 2011

Over rode de wijn en westenwind en vuur en woorden.

Ze zitten bij het kampvuur en ze drinken rode wijn en eten
varkenribbetjes met de handen die blinken van het vet en ze vertellen
grote verhalen over verre tochten langs brede trage stromen en hevige
regens en brandende zon en over akkers die tot de horizon reiken en
bomen die tot in de wolken groeien en het Uitbudindige Meisje vertelt
van tochten op zee in krachtige zeilboten met de wind in de haren en
over de vrijheid en ruimte als van de westenwind.

Boerken vraagt haar waarom ze zo stil was in de polders, dat ze haar
Het Stille Meisje noemden en even is ze stil en ze denkt,  maar dan
klatert haar stem weer en zegt ze luchtig dat ze zichzelf zocht want
dat ze zichzelf kwijt was toen ze daar in de polders geland was die
dagen en dat ze de Stille Dichter zag zitten bij de wilgen langs de
hoge dijk en ze naast hem ging zitten alsof ze nooit anders gedaan had
en hoe zijn woorden haar heelden en dat ze daarna verdween zoals ze
gekomen was, omdat ze zichzelf weer had gevonden en zij niet leven kan
in de polder, alleen met de Droeve Dichter en zijn triest en eentonig
bestaan.

Boerken is even stil en drinkt dan van de wijn als was het water,
gulzig en lavend.

"Denkt ge niet dat ge de dichter gekwetst hebt zo?" vraagt Knorpot een beetje dronken en het Uitbundige Meisje trekt de schouders op en staat op om te dansen rond het haardvuur en ze zegt
nog snel, dat ze de dichter nooit gevraagd heeft om haar te helen en
dat de dichter was wie hij was voor zij in de polders neerstreek als
een aangeschoten reiger en dat toen ze genezen weer wegvloog, hij nog
steeds diezelfde Droeve Dichter was die hij ervoor was en Boerken zegt
dat dat niet waar is, want dat de Dichter nu anders is,  dat hij zich
vreemd gedraagt en nachten lang onder de bomen zit, buiten en schrijft
en dan alles weer schrapt of overschildert of verbrandt, maar ze
luistert niet meer en mengt zich tussen de dansers.

Boerken sloft naar de tractor en gaat op de plankenvloer van de kar
slapen en besluit morgenvroeg de tractor te herstellen en naar zee te
rijden. Knorpot heeft de feestende bende ook achter zich gelaten en
komt in de kar zitten en nadat ze een kwartier zwijgend voor zich uit
zitten te staren, is daar ineens het Meisje en ze fluistert zacht en
vraagt of ze naar zee rijden morgen en of ze dan mee mag.

Boerken aarzelt en Knorpot lacht cynisch en zegt dat ze mee mag op
zoek naar zichzelf.
"Want ik ben de Oude Knorpot en nu en dan lach ik vrolijk maar steeds
wordt ik na een poos weer knorrig en Boerken zal altijd zaaien en
planten en oogsten en hooien en de Droeve Dichter zal altijd woorden
tot zinnen schrijven en ze plooien rond de tijd en de ruimte en ge
hebt u geheeld aan zijn woorden." zegt Knorpot, "Wie kan het u
kwalijk nemen. Maar wat gij precies zijt, weet ik niet. Het Stille
Meisje dat praat als de zee en de wind? Of het Uitbundige Meisje dat
danst bij het kampvuur en dat lacht en praat en plezier maakt?"

Het Meisje denkt en zegt dan dat ze het Stille Uitbundige Meisje is
dat morgen mee naar zee wil.

Doelloos in Doel

De volgende ochtend zo tegen elf is Boerken op zoek gegaan naar een
bakker, maar Doel is een spookdorp en Boerken kan er geen bakker
vinden en als hij de tractor wil starten, reutelt en ploft die, om dan
ineens niets meer te doen.

"De diesel op?" vraagt de Oude Knorpot en bij elk woord slaat zijn
schedel kletterend open en dicht. "Godverdoeme wat heb ik een kater",
vloekt hij, "ik snap niet hoe gij, Boerken, daar geen last van hebt.
Ge zuipt een fles jenever en kotst in het diepst van de nacht van pure
zattigheid en slaapt dan ronkend verder en 's ochtends staat ge op
alsof er niets aan de hand is en gaat ge gewoon op zoek naar nen
bakker om croissants te kopen."

Boerken vloekt dat er genoeg diesel in zijn tractor zit om naar de
maan te bollen en terug en dat het dus weer iets anders is en begint
te prutsen en te rommelen en te schroeven en te kloppen en draaien aan
de motor van de tractor en tegen de noen zien ze allebei scheel van de
honger en is de tractor nog niet gestart en drinken ze al hun eerste
Duvel en jenever en ineens staat Zij daar bij de tractor en de kar.

Het meisje van de zee en een paar van de jongeren die hier kamperen en
elke avond feesten bij kampvuur en ze praat gewoon mensentaal en is
vrolijk en luidruchtig.

Ze groet Boerken en Knorpot en vraagt wat ze
hier uitvoeren en ze lacht uitbundig als Boerken vertelt dat ze
onderweg waren naar haar aan zee omdat ze dachten dat ze een meisje
van de zee is en ze lacht en kijkt tegelijk een beetje droef en zegt
dat de Stille Dichter met zijn droeve woorden dat ook denkt en dat ze
hem niet tegenspreken durft omdat hij zo broos is en breekbaar en dat
ze van de zee houdt, maar er niet woont en zeker geen zeemeermin is en
dat ze vrij wil zijn en dat de Droeve Dichter haar verstikt met zijn
woorden en zinnen en verhalen en zijn droevigheid en dat ze daarom
verdwenen is en weer op pad is met de vrienden van weleer en feest en
pret maakt en Boerken en de Oude Knorpot verdrinken in haar ogen en
haar stem en ze lachen en laten zich leiden door Haar tot bij het kamp
met de tenten en de caravans en de restanten van vuur en ze drinken er
wijn en worden vrolijk, ja zelfs Knorpot lacht en vertelt vrolijke
verhalen en lacht uitbundig. Ze eten geroosterd vlees en aardappelen
en verse groenten en drinken rode wijn en daarna is er taart en zoete
likeuren tot de avond valt en de vuren de tenten en caravans en
verlaten huizen verlichten en ze geen honger hebben en geen dorst en
ze allebei verliefd zijn op Het Uitbundige Meisje en zij de tijd
vergeten en de plek en zichzelf.

Ze vergeten dat ze onderweg zijn naar zee, om Haar te vinden en om de
Droeve Dichter te redden. Ze vinden haar in Doel en vergeten die
Droevigaard. Ze vinden haar en verliezen zich met haar in het moment
dat eeuwig lijkt. Ze lachen en maken plezier en eten en drinken en
vergeten de tractor en de kar en het doel en de tijd.

Ze lachen om de Droeve Dichter en zijn donker kot en zijn stomme
geschrijvel en zijn janken 's nachts onder de boom en ze vertellen Het
Uitbundige Meisje over de woorden op de muren van zijn witgekladderde
kot en de droom die er stond en hoe dwaas die Droevigaard is om die
dromen te dromen en die dromen te schrijven op de muren van zijn kot
en dan te zitten wachten tot zij komt die hij het meisje van de zee
noemt en natuurlijk komt ze niet en hoe hij dan in een nacht alles
heeft overschilderd in witte verf en met de Strakke Zakenman op pad is
gegaan in een pak en een hemd met gekamde haren en geschoren kin en
het meisje is stil en in haar ogen is het windstil over zee en zijn er
geen golven.

zaterdag 3 september 2011

Over de zee en de regen en BlackBerry Blues

Ziet ze zitten onder de kromme eik aan een tafel in de schaduw. Het is een laatzomerse dag in september en de zon zakt langzaam want het neigt naar vijf. Het dikke lover van de oude boom biedt amper beschutting en zweet parelt van het voorhoofd van de oude knorpot die brommend het hoge woord voert.  Hij is boos en wijst voordurend kijvend met de wijsvinger en nu en dan balt hij de vuisten. Boerken is er ook, want zijn hooi is binnengehaald en gestapeld op de zolder onder het zware dak en vandaag is het te warm en morgen gaat het regenen. Aan de tafel zit ook de Grote Schrijver en hij is duidelijk het onderwerp van Knorpots woede. 

Wat verder in de schaduw van de kastanjelaar zit de Strakke Zakenman met de BlackBerry aan het oor en een andere naast zich op de leuning van de stoel en een iPad op de schoot afwezig te zijn. De Droeve Dichter is er niet.

'Waar heb je hem heen geschreven?' mort de Knorpot. 'Bij het Stille Meisje van de Zee ongetwijfeld. Verdrinkend in haar ogen die de kleur hebben wisselend als het grijs en het blauw van de Noordzee, luisterend naar haar stem die ruist als de wind over het water, fluisterend als de bries door het duingras. Hij denkt dat ze zijn muze is, zijn elfenprinses en hij schrijft geen letter meer tot je haar laat vertrekken, weer naar zee, want ze is als de zee: ze komt en gaat. Ze kan niet leven aan land. En dan laat je de droeve dichter janken en ons, wij hier, Boerken en ikke, Knorpot, moeten dan zijn droeve verhalen aanhoren en zien hoe hij wentelend in eigen pijn schrijft in woorden die zinnen vormen die vertellen over droefheid en pijn en het lijden. Op hem daar (wijzend op de Zakenman die gebogen tuurt op het scherm van zijn BlackBerry en er wat op tokkelt met de duimen) moeten we niet rekenen. Die leeft niet. Waarom je hem hier vandaag onder de kastanjelaar zet met zijn glas witte wijn, zijn olijven en zongedroogde tomaten en parmezaan, snap ik niet, maar jij bent de schrijver. Vertel het ons!'
En de schrijver wil spreken, maar de Knorpot knauwt verder.

'Je schrijft dat wij nachtenlang in droefenis jenever drinken en Duvels, en je laat ons hooien en de Droeve Dichter laat je verzen schrijven en nachtenlang huilend tegen een boom aan zitten. Je stuurt mij naar de overkant van de straat. En Boerken laat je zijn wie hij is: een boerke.' Even haalt hij adem en hij nipt aan zijn Duvel. 

Net dan komt de Droeve Dichter de tuin in gewandeld en samen met hem is het Stille Meisje er ook. Niemand heeft haar zien wandelen en niemand weet of ze samen met de dichter is gekomen, maar ze is er en ze zegt 'dag' en de Knorpot hoort de zee ruisen en Boerken, die de zee niet kent, hoort het trage stromen van de brede rivier en de wind in de populieren en wilgen langs de velden en de bries in de korenvelden bij avond. Knorpot kijkt haar aan en vervloekt de schrijver want in haar ogen verdwijnt hij en maakt er lange tochten langs het strand en Boerken droomt van vruchtbare akkers vol golvend koren en vette weides met het lekkerste gras.

De Strakke Zakenman komt erbij zitten en legt even zijn BlackBerry op de tafel. De Droeve Dichter vertelt over een lange tocht doorheen de verre akkers naar steden diep in het achterland, langsheen de trage rivier, tot waar ze een beek wordt en daarna een nietige bron ergens in een grasland. Over de vreemde talen en de bergen en dalen en de brandende zon en de striemende wind. Boerken luistert niet, loopt het donker kot binnen en schenkt zich een jenever en het meisje een glas appelsiensap. En de zakenman loopt met hem mee naar binnen en monstert de keuken, zoekt de fles witte wijn en de parmezaan en vraagt Boerken wie dat meisje is en waar ze vandaan komt en Boerken mompelt dat hij dat niet weet, maar dat Knorpot denkt dat ze een elf is en dat ze uit de zee komt en naar zee terug zal keren en de dichter ongelukkig achter zal laten. De zakenman zegt niets en gaat weer buiten en Boerken neemt zich voor om morgen, als het regent en de Droeve Dichter toch weer bij het Stille Meisje is, in de polders achter de rivier, het donker kot wit te schilderen. Omdat hij dat zwart beu is.

Buiten staat de schrijver op. Hij zegt geen woord en wandelt de tuin uit en laat zijn personages achter zich en zij staren hem na. 'Wie is dat?' vraagt het Stille Meisje na enige tijd en zij antwoorden niet want ze is vergeten hoe die vraag klinkt in de taal der mensen en zij hebben niets gehoord dan de wind in de eik.

maandag 15 augustus 2011

onkruid wieden

De Oude Knorpot steekt de straat over en komt in het donker kot zitten.

Buiten is het zomer. 'Heb je me een druppelke?' vraagt hij en neemt de jenever uit de kast en giet een stevige geut in een limonadeglas waarin nog een klutske Redbull Wodka staat van de nacht.

'Ik heb goed geslapen en gij hebt natuurlijk een hele nacht gedacht aan het Wilde Kind dat aan u vreet en ge hebt natuurlijk geen letter geschreven want ge zijt toch in slaap gevallen tegen uw boom buiten en nu zit ge hier in uw donker hol koffie te drinken en wakker te worden uit uw dwaze dromen. Ge zijt nog jong gij. Ge denkt nog dat ge de wereld veranderen kunt met zwarte verf en letters op papier en 's nachts wakker blijven. Dwaze kloot.'

Het is stil in de keuken, want de Droeve Dichter antwoordt niet. De Oude Knorpot kapt de jenever in een geut binnen en draait de stop van de fles.


'Hebt ge er al eens aan gedacht dat dat Wilde Kind misschien niet de moeite is? Dat elk verhaal maar een verhaal is. Dat ge dat Wilde Kind van u misschien beter kunt negeren? '

'Daar wil ik niet aan denken,' zegt de Droeve Dichter en hij slurpt van zijn espresso en kijkt naar buiten over de verwilderde tuin onder de eik.

'Deze morgen kwam Boerken me wakker maken en hij rook naar vers hooi en hij heeft bij me gezeten tot de zon opkwam en ik denk dat hij nu op zijn tractor over het veld rijdt ginder bij de dreef. En als hij vertrokken was, heb ik drie regels geschreven die ik niet ga schrappen en dus is mijn nacht goed geweest. Drie regels heb ik geschreven als een kooi voor mijn demonen die ik vang in woorden en zinnen en verhalen die ik op deze papieren schrijf en die ik nooit meer lees. En wat uw gedachten betreft, Ouwe trieste vent, daar wil ik niet aan denken. Voor mij is wat ik lees en hoor evenveel waard als wat ik zie. Woorden en zinnen en verhalen zijn absoluut. Wat kan ik anders, als schrijver?'

'Ge zijt een droef figuur', zegt de Oude Knorpot terwijl hij een glas vult, 'ge zijt jong en zou nu buiten moeten onkruid trekken in uw hof in plaats van binnen te zitten in uw donker kot en drie regels te schrijven die niks waard zijn en die niemand leest en die het onkruid in uw ziel niet kapot sproeien met ddt, integendeel. Het is als een dikke regenbui zodat het dikke vette onkruid daarna nog harder groeit. En zeg, hebt ge geen andere jenever dan deze goedkope rommel?'

De Droeve Dichter staat op en gaat naar buiten en knielt onder de eik en begint onkruid te wieden en de Oude Knorpot komt hem achterna, het glas in de hand.

'Mag ik uw schrijverij niet lezen?' vraagt de Oude Knorpot na een lange stilte onder de eik. 'Neen, ik zou wel willen maar dat kan niet', zegt de Droeve Dichter, 'want het Wilde Kind is mijn kind niet. Ik bewaar het. Ik steek alle schrijfsels in een doos en die doos bewaar ik.'


De Oude Knorpot maakt een wijd gebaar en zegt dat de Droeve Dichter zot is of tenminste zo goed als en dat hij naar de dreef gaat om daar om te wei te kijkdn of Boerken hooi aan het keren is in de zon en dat hij de fles wel mee pakt, en dat de dichter de volgende keer betere jenever kopen moet en dat zijn donker kot stinkt naar koffie en zever.

De Droeve Dichter blijft geknield onkruid wieden en in zijn hoofd borrelen woorden en zinnen.