woensdag 7 september 2011

Woorden witten

'Deze ochtend vroeg is hij vertrokken', zegt Knorpot tegen Boerken,'met de handen in de zakken in de regen, de kop diep in de kas, huilend en jankend als een geslagen hond. En moet ge nu zien.'
Ze staan in het witte kot tussen de emmers witte verf en de borstels en ze kijken naar de muren waarop de Droeve Dichter zijn woorden en zinnen voor het Stille Meisje had geschreven, hele nachten lang, in hakende zwarte letters. Woorden die vertelden van pijn en heimwee en verlangen en hunkering. Woorden van hoop. Woorden die smeekten gelezen te worden. En over die woorden heeft de Droeve Dochter wittd verf gesmeerd in dikke lagen zodat de woorden verdwenen zijn, gewist in dikke witte mist. Donkerder dan de nacht het wit van de dikke verf.

Boerken en Knorpot kijken naar de slordige witte muren en denken aan de woorden en zinnen die er stonden te smeken voor ze verdwenen in de furie van vannacht. Ze zien de verfspatten en de open emmers, en de bortsels die overal slingeren.

En terwijl ze er zo staan in de witte kamer, stopt de auto van de Strakke Zakenman en die loopt naar binnen samen met de Droeve Dichter, strak in pak met gekamde haren en geschoren gelaat en met wallen onder de ogen van te weinig slaap en de zakenman zegt dat de dichter een natuurtalent is, want dat hij authentiek is en Boerken mompelt iets en Knorpot zegt dat de ziel van de dichter niet lang authentiek zal blijven en hij vloekt en verlaat het witte kot en Boerken gaat met hem mee en ze blijven even bij de eik staan en Knorpot zegt dat de Strakke Zakenman alleen het Stille Meisje wil. 'En gij ook', zegt Boerken, 'en ik ook, want wij zijn allemaal verliefd op haar stilte en wat we in die stilte horen.'
Knorpot lacht en zegt dat de Grote Schrijver een klootzak is en dat de Strakke Zakenman de Droeve Dichter kapot gaat maken en hij haalt de schouders op.
'Morgen pakken we de tractor en we rijden langs de Stroom naar Zee', zegt Boerken.
'Gij zijt zot', zegt Knorpot.

dinsdag 6 september 2011

Riders on the storm

Boerken zit op een harde bank in het donker van de nacht onder het grote dak van de schuur naar de storm te kijken die over de daken raast en die de bomen ranselt. Hij ziet de regen als sluiers over de boerderij glijden. Boerken heeft geen zorgen. Het hooi is binnen, de paarden slapen staand in de stal en de weides liggen zompig. En morgen gaat er zon zijn. Of niet. Kan Boerken niet schelen.

'Wat scheelt je toch' heeft Boerken gevraagd aan de Droeve Dichter, maar Boerken moet dat niet vragen, want hij ziet dat de muren van het witte kot volgeschreven raken met woorden en zinnen voor het Stille Meisje dat niet meer naar de polder komt, al dagen niet en hoe langer ze is weggebleven, hoe meer de Dichter schrijft en hoe voller de muren, hoe zwaarder de woorden en oneindiger de zinnen die spreken van hunkering en verlangen.

Onder de eik zit de dichter in de storm. Hij laat de wind en de regen. Hij kijkt naar het raam en ziet het licht in de witte kamer en ziet de woorden die hij niet lezen kan, maar die hij woord voor woord kent en proeft.


Tegen het witte kot aan hoort hij een late krekel.

Guggenheim en zeilschepen

'Weet je hoe donker de dijken zijn 's nachts als er geen maan is. En bedreigend eenzaam en leeg en stil. Links van mij de rivier die stroomafwaarts gaat, onstopbaar en luidruchtig in de stilte van de nacht. Dreigend machtig want je ziet haar niet maat je voelt haar kracht. Je hoort haar adem. Je voelt haar machtige lijf. En rechts de polders die wijds zijn en stilte blaffen die je naar het strot grijpt. Ik heb uren gestapt, in het donker van de nacht. Tot mijn voeten vol blaren stonden en ik krom ging lopen en mijn spieren verstramden en hard werden om dan te krampen en mijn pezen jankend smeekten om rust en mijn rug mijn schouders en hoofd niet meer kon dragen en ik alleen maar slapen wou,lang en veel. En bij de brede brug nam ik bij zonsopgang de bus terug en toen jullie hier vanmorgen toe kwamen zat ik op jullie te wachten in wat ooit mijn donker kot was. Ik heb haar drie dagen niet gezien, het Stille Meisje en ik wou tot de zee stappen, maar dat is te ver.'

Knorpot kijkt de Droeve Dichter aan en mompelt cynisch dat die stapelzot is en stom bovendien en hij drinkt een eerste Duvel.
'Ik heb u toch gezegd dat de Schrijver met uw voeten rammelt. Hij geeft u het Stille Meisje dat is als de zee en naar de zee weerkeren zal want ze kan in dit land niet aarden. Aarden. Hoorde dat? Aarden. Meisjes van de zee aarden niet. Ze zijn als de wolken en de zee en de wind en de regen en de zon. Ge gaat verdrinken, verdorsten, verbranden, ge gaat uw voeten kapot lopen en ge gaat huilend en jankend bij de zee staan en haar naam roepen en daarna gaat ge mooie woorden schrijven van heimwee en zeer en oneindigheid en dat ge het niet begrijpen kunt en verlangen en hunkeren. En de schrijver zal haar laten verschijnen in uw dromen en in uw zinnen en woorden over wolken en wind en regen. Ge gaat aan de zee staan op de hoge duin en ge gaat haar naam roepen en ge kent niet eens haar naam want ze spreekt de taal van de mensen niet. Ge bouwt haar een boot en ze bekijkt de boot en zegt dat ze over de zee wil wandelen of erin wil zwemmen, maar dat boten haar te klein zijn, te gesloten, te aards.
Dat zij geen planken hoeft en geen nagels om op zee te zijn en geen zeilen om op de wind te drijven. En gij die weken aan de boot getimmerd hebt met uw dichtershanden gaat het niet begrijpen en ge gaat kwaad worden en haar pijn doen en daarna uzelf omdat ge haar pijn hebt gedaan en de Grote Schrijver, die klootzak zal u hebben waar hij u hebben wil. Daar waar de woorden ontstaan door pijn. Ik kan het weten', zegt Knorpot, 'want ooit lang geleden was ik sterk en strak zoals de zakenman, ik droeg een harnas en was als tefal, alles ketste weg en gleed van me af en iemand zei me dat ik schoner was zonder bescherming en ik legde het harnas af en ik was niet bestand tegen de naaktheid en de onbeschermdheid.'
Knorpot zwijgt.
'Hoe is het wilde kind in uw ziel?'

De Droeve Dichter zegt niets. Buiten stormt het en de regen geselt de tuin en de bomen neigen in de wind en verliezen groene bladeren en eikels en lichtgroene bolsters waarin kleine diepbruine, bijna zwarte kastanjes met een witte kuif. Hij gaat buiten onder de kastanjelaar zitten en denkt over de woorden die hij schrijven zal, straks, als het donker is, aan de kromme tafel,in het grijzig witte kot.

Woorden van stilte op de witte wanden.

maandag 5 september 2011

Over woorden en de zee

'Wat schrijft Gij zo allemaal eigenlijk, triestigaard?' vraagt Knorpot aan De Droeve Dichter en de dichter haalt de schouders op en kijkt rond in de kamer die eens zijn donker kot was en nu een slordig wit geverfde doos van vier muren en een plafond die niet wit zien, maar grijzig met vlekken en aflopend gedroogde verf. Morgen ga ik hierop woorden schrijven, denkt de dichter, zoals ik woorden kras op handgeschept papier.
'Ik schrijf over woorden. Hoe ze groeien als wolken, ergens. En dan komen aandrijven in de lucht, geblazen door een onzichtbare wind. Nu eens kil en klam, dan weer warm en droog. Hevig. Of strak. Of amper voelbaar als een streling van de adem. Over zinnen die zijn als de trage stroom die doorheen het vlakke land meandert, of die naar omlaag raast als een beek die zich in de ravijn stort. Over vehalen die ruisen als het lover van de eik, of het fluisteren van het duingras. Ik schrijf over de zee en de einder. Ik schrijf over duinen. Over roepen over zee.'
'Allez, ge schrijft eigenlijk over schrijven over schrijven en dus eigenlijk schrijft ge dus over niks niemendal en dus kan het geen kwaad dat er niemand is die wat van u leest, want of ge niks leest of niet leest, het blijft niks', zegt Knorpot lachend.
'Neen', zegt de Dicher, 'want woorden worden leven als ze geschreven worden en zijn dan dood tot ze weer tot leven gelezen worden.'
Boerken die net binnenkomt, hoort dat laatste en lacht. Zeveraars, denkt hij en schenkt zich een jenever in en zegt dat hij het witte kot beter vindt dan het donker kot.

De dichter stapt naar buiten en gaat onder de eik zitten en wacht op de nacht.

zondag 4 september 2011

Over de vleugels van een engel

Het is vandaag zo'n dag waarop regen en zon in snel tempo elkaar afwisselen met de wind die de wolken aanvoert als ringmeester, maar Knorpot en Boerken merken het amper, want ze zijn binnen aan de slag met borstels en rollen en dikke witte verf om het donker kot van de Droeve Dichter wit te verven, nu die er niet is. 
Ze werken gestaag door en spreken weinig woorden en nu en dan maken ze koffie en gaan even in de tuin zitten onder de eik, of ze zitten voor het raam en kijken naar de regen die als een dikke sluier over de tuin ligt. Het donker kot is klein en ze schieten snel op.

De Droeve Dichter is deze ochtend vertrokken, zag de Knorpot. Al vroeg verliet hij de tuin en stapte hij de  polders in achter de dijken van de trage rivier die meanderend door dit land stroomt vanaf de kleine bron tot de zee in het noorden. Knorpot zag hem verdwijnen tussen de wilgen die langs de weides staan en Boerken, die verderop met de tractor reed zag hem de dijk op wandelen in de richting van de zee. In de striemende regen.

Boerken en Knorpot zetten de 4de muur in het wit en kijken naar het witte plafond en het licht vult de kamer door de vuile venster op de wereld en daarna gaan ze tevreden aan de kromme tafel zitten en ze drinken een laatste koffie.

De Strakke Zakenman komt langs en vraagt naar de Droeve Dichter en naar het Stille Meisje en gaat leunen tegen de muur en stapt daarna weer buiten met een witte vlekken op de rug waar zijn schouders zijn en het lijken de twee vleugels van een engel.

zaterdag 3 september 2011

Over hooi en ondergaande zon en mussen en kippen.

Boerken zit op zijn erf tussen de mesthoop vol stront en stro en de hooizolder die vol steekt met dikke pakken fris geurend hooi voor de winter en in de schaduw van de stallen stampen de paarden en ze briesen.   Boerken zit op een verweerde stoel die ooit wit geschilderd is, maar die nu bladdert en vuil is en groenig wordt van de vochtigheid en het mos in de scherpe groeven. Hij zit opo die stoel en kijkt tevreden naar de open hooizolder onder het brede zware dak.

Hij zit content te zijn in de halve schaduw van de avond en naast zich ligt de herdershond hijgend in de volle schaduw van het brede dak op de bolle stenen van het erf. Wat verderop kakelen kippen in hun hakende bewegingen als zaten er springveren in hun nek en poten die zich opwinden en lossen in a-ritmische patronen. Boerken kan niet kijken naar kippen. Ze wekken bij hem een fysieke walging. Hij kijkt naar het hooi en ziet dat het goed is.


Boerken ziet hoe de Droeve Dichter naast hem is komen staan. 'Waar is je Elfenprinses?' vraagt Boerken en hij schrikt een beetje van de toon waarop hij dat zegt, want hij wou niet smalend klinken. De dichter zwijgt en zucht en wacht. En Boerken wacht ook, want is bang voor de toon waarop hij spreken zal en zegt daarom maar niets, want hij wil de Dichter geen pijn doen.
'Ze is vandaag niet verschenen', zegt de Droeve Dichter dan. Gisteren is ze weggegaan zoals het eb wordt aan zee, maar ze is niet met de nieuwe vloed meegekomen. Zijn stem klinkt vlak. Niet triest. Vlak. Hij heeft de handen diep in de zakken en als Boerken opkijkt ziet hij hoe de dichter ook naar de hooizolder kijkt, de ogen geknepen tegen de lage zon.

'Als ze er morgen niet is, ga ik een keer met de zakenman op pad', zegt de dichter,'die vraagt dat al een poos.'
'Die wil van jou alleen weten waar hij dat meisje vinden kan', zegt Boerken. 

De dichter wacht even en zegt dan grijnzend: 'Als ik dat eens wist, Boerken, als ik dat eens wist. Maar waar woont de wind. Waar groeien de wolken aan de hemel? Waarheen gaat ze zee bij eb? Waar raken hemel en aarde elkaar?'

'Dat is schoon gezegd, dichterke', zegt Boerken, 'weet je wat Knorpot altijd zegt? Dat ge dagen en nachten en weken en maanden en jaren moogt stappen tot uw voeten kapot gaan aan etterende blaren en uw pezen janken van de zeer, maar dat de einder altijd even ver blijft, want daarom is het de einder.'

'Mischien moet ik dan wel niet weten waarheen ze verdwijnt met de avond, de wolken, de wind en het water', zegt de Droeve Dichter en Boereken mompelt dat dat helemaal waar is, 'ge wilt toch niet die zot zijn die zijn leven lang op tocht is gegaan om de horizon over te steken toch?'

Ze lachen alle twee en de Droeve Dichter pakt een tweede stoel en zet zich naast Boerken. Op de bolle stenen maken drie mussen ruzie in het stof dat rossig is in de lage zon. 

Over de zee en de regen en BlackBerry Blues

Ziet ze zitten onder de kromme eik aan een tafel in de schaduw. Het is een laatzomerse dag in september en de zon zakt langzaam want het neigt naar vijf. Het dikke lover van de oude boom biedt amper beschutting en zweet parelt van het voorhoofd van de oude knorpot die brommend het hoge woord voert.  Hij is boos en wijst voordurend kijvend met de wijsvinger en nu en dan balt hij de vuisten. Boerken is er ook, want zijn hooi is binnengehaald en gestapeld op de zolder onder het zware dak en vandaag is het te warm en morgen gaat het regenen. Aan de tafel zit ook de Grote Schrijver en hij is duidelijk het onderwerp van Knorpots woede. 

Wat verder in de schaduw van de kastanjelaar zit de Strakke Zakenman met de BlackBerry aan het oor en een andere naast zich op de leuning van de stoel en een iPad op de schoot afwezig te zijn. De Droeve Dichter is er niet.

'Waar heb je hem heen geschreven?' mort de Knorpot. 'Bij het Stille Meisje van de Zee ongetwijfeld. Verdrinkend in haar ogen die de kleur hebben wisselend als het grijs en het blauw van de Noordzee, luisterend naar haar stem die ruist als de wind over het water, fluisterend als de bries door het duingras. Hij denkt dat ze zijn muze is, zijn elfenprinses en hij schrijft geen letter meer tot je haar laat vertrekken, weer naar zee, want ze is als de zee: ze komt en gaat. Ze kan niet leven aan land. En dan laat je de droeve dichter janken en ons, wij hier, Boerken en ikke, Knorpot, moeten dan zijn droeve verhalen aanhoren en zien hoe hij wentelend in eigen pijn schrijft in woorden die zinnen vormen die vertellen over droefheid en pijn en het lijden. Op hem daar (wijzend op de Zakenman die gebogen tuurt op het scherm van zijn BlackBerry en er wat op tokkelt met de duimen) moeten we niet rekenen. Die leeft niet. Waarom je hem hier vandaag onder de kastanjelaar zet met zijn glas witte wijn, zijn olijven en zongedroogde tomaten en parmezaan, snap ik niet, maar jij bent de schrijver. Vertel het ons!'
En de schrijver wil spreken, maar de Knorpot knauwt verder.

'Je schrijft dat wij nachtenlang in droefenis jenever drinken en Duvels, en je laat ons hooien en de Droeve Dichter laat je verzen schrijven en nachtenlang huilend tegen een boom aan zitten. Je stuurt mij naar de overkant van de straat. En Boerken laat je zijn wie hij is: een boerke.' Even haalt hij adem en hij nipt aan zijn Duvel. 

Net dan komt de Droeve Dichter de tuin in gewandeld en samen met hem is het Stille Meisje er ook. Niemand heeft haar zien wandelen en niemand weet of ze samen met de dichter is gekomen, maar ze is er en ze zegt 'dag' en de Knorpot hoort de zee ruisen en Boerken, die de zee niet kent, hoort het trage stromen van de brede rivier en de wind in de populieren en wilgen langs de velden en de bries in de korenvelden bij avond. Knorpot kijkt haar aan en vervloekt de schrijver want in haar ogen verdwijnt hij en maakt er lange tochten langs het strand en Boerken droomt van vruchtbare akkers vol golvend koren en vette weides met het lekkerste gras.

De Strakke Zakenman komt erbij zitten en legt even zijn BlackBerry op de tafel. De Droeve Dichter vertelt over een lange tocht doorheen de verre akkers naar steden diep in het achterland, langsheen de trage rivier, tot waar ze een beek wordt en daarna een nietige bron ergens in een grasland. Over de vreemde talen en de bergen en dalen en de brandende zon en de striemende wind. Boerken luistert niet, loopt het donker kot binnen en schenkt zich een jenever en het meisje een glas appelsiensap. En de zakenman loopt met hem mee naar binnen en monstert de keuken, zoekt de fles witte wijn en de parmezaan en vraagt Boerken wie dat meisje is en waar ze vandaan komt en Boerken mompelt dat hij dat niet weet, maar dat Knorpot denkt dat ze een elf is en dat ze uit de zee komt en naar zee terug zal keren en de dichter ongelukkig achter zal laten. De zakenman zegt niets en gaat weer buiten en Boerken neemt zich voor om morgen, als het regent en de Droeve Dichter toch weer bij het Stille Meisje is, in de polders achter de rivier, het donker kot wit te schilderen. Omdat hij dat zwart beu is.

Buiten staat de schrijver op. Hij zegt geen woord en wandelt de tuin uit en laat zijn personages achter zich en zij staren hem na. 'Wie is dat?' vraagt het Stille Meisje na enige tijd en zij antwoorden niet want ze is vergeten hoe die vraag klinkt in de taal der mensen en zij hebben niets gehoord dan de wind in de eik.