zondag 13 mei 2012

De prijs van een ziel

In de rand van de schrijfsels van De Droeve Dolende Dichter vinden Dichter en Boerken dunne potloodletters en woorden die Knorpot geschreven heeft.

Iemand loopt in de val. Vrolijk. Opgewekt. De koning te rijk. Zo gaat dat als je je ziel verkoopt. Alles lacht je toe. Niet iedereen. Hier en daar staat iemand langs de kant. Waarschuwend spreken ze je toe. Fluisterend. Roepend. Brullend. Huilend. Triest. Boos. Eenzaam. Ze zien je bezig. Je hoort of ziet ze niet. En als je ze hoort of ziet, blijf je Oostindisch doof. Je negeert hen en hun waarschuwende woorden. Je doet alsof ze er niet zijn. Je geeft er niet om dat je hen kwetst en raakt en vertrappeld. En als ze voor je springen, de armen wijd open, kijk je ze met staalharde ogen aan en je boort ze meedogenloos de grond in. Je duwt hen weg, onderweg naar Het Grote Doel.
Ik zie iemand gaan en waarschuw. Ik word niet gehoord. Ik word verzwegen. Ik moet mijn bakkes houden. Ik word vergeten. Weggedrukt. Ik word klein gemaakt met harde woorden die me duidelijk maken dat ik zwijgen moet.

Ik zwijg.
Als er een later komt, als het graniet brokkelt, als iemands ziel door zij die ze kochten, opgebruikt is, dan zal iemand janken van pijn en spijt. Dan zal ik weten dat ik mezelf niet kan beschuldigen van schuldig verzuim. Of het niet verlenen van hulp aan personen in nood. En het zal geen troost zijn.

Ik zwijg.
Ik weet hoe lang het duurt eer een verkochte ziel beseft dat ze bevroren is, ommuurd met hoog ondoordringbaar graniet, ingekapseld in gewapend beton en overgoten met een dikke laag tefal.

Ik zwijg.
Ik zet een punt.


"Zou hij het over zichzelf hebben, dat stuk zeurend verdriet?", vraagt Boerken.
"Ik denk het wel", zegt Dichter, "Ik denk het wel."

ZWart is alle kleuren

Boerken schiet wakker in het midden van de nacht. Het is donker. Iemand zei hem: ik ben zo donker zodat ik het licht beter kan zien. Iemand is de nacht. Iemand is de dag. Iemand is steen, iemand is water. Iemand is een kei in het water. Iemand is het water tegen de kei. Iemand is de schaduw van het licht. Zwart is alle kleuren. Wit is geen kleur.

Zwarte woorden en een kop vol jenever.

In de plooien van de tijd en de ruimte glijden en er vergeten worden. Tussen de mazen van het net geklemd raken en niet meer weg kunnen. Vertrappeld worden onder je eigen voeten. Verzwegen worden in je eigen woorden. Verzwegen worden in alle woorden. Gezwegen woord. Ik schrijf in gezwegen woorden. Ik zwijg in geschreven woorden. Ik ben in gezwegen woorden. Ik ben verzwegen.
Tussen de plooien van de tijd.

De tijd is een elastiek. De herinnering is een demon. Hopen is een slang. Dromen is sluipend gif. Duister is een kleur. Zwart is de kleur van de stilte. Wit doet zeer.

Tussen de plooien van de tijd fluisteren we in stilte en de woorden die we fluisteren spreken over wit en zwart en ziel en dromen en hoop. Tussen de plooien van twee levens is niets dan zwart. Tijd en ruimte worden opgevreten. Woorden worden verzwegen. Hoop wordt een roestig mes waarop je valt, struikelend over woorden die proberen te zeggen wat je niet zeggen mag. Dromen worden weerhaken die je ziel aan flarden rukken.


Boerken leest wat Dichter allemaal geschreven heeft en begrijpt er de kloten van. De zon schijnt. Boerken ronkt. Slapend in de zon. Zijn kop vol jenever.

Tefal en de Demon van het Duister en de Breitling om de pols van Knorpot.

De Droeve Dichter zit buiten aan een teak tafel te schrijven met een dik zwart koolpotlood op dik handgeschept papier en elke woord staat er en kan hij niet herschrijven of weghalen en elk woord wil hij donker hebben en zwaar en hakkend en hakend en snijdend en priemend en kwetsend. Want hij is de Droeve Dichter en Tristesse is zijn brandstof. Hij is geen kerncentrale. Hij is een ouderwets pruttelende benzinemotor.
Zakenman komt naast hem staan, niet in strak pak, want het is zondag, maar in kleurige vrijetijdskledij die duidelijk gekocht is in te dure boetieks want een zakenman moet aan anderen zijn succes tonen, altijd en overal of verliest zijn charisma. Zakenman leest iets over pruttelende benzinemotoren en vertelt over zijn passie voor auto's en design en snelheid en lage Engelse en Italiaanse sportwagens en Knorpot, die al aan de jenever zit in de zon, vertelt over het diep grommelende gepraat van de 12 cilinder van de Bentley waarmee hij een aantal maanden mocht rijden en waar hij zijn horloge aan overgehouden heeft, een veel te zware Breitling die zakenman hem zo benijdt. Hoe die motor diep ronkend en daverend gaat brullen als je flink gas geeft. Hoe die vibraties doorheen je hele lijf gaan en hoe je een wordt met dat geweld en de snelheid. Een sensatie die nergens mee te vergelijken is. Hoe hij gas gaf, 's nachts als hij doorheen Parijs reed, over de bijna verlaten lanen. Zakkend naar wandelsnelheid en dan brullend versnellen, de kap open, de elleboog nonchalant bengelend. Alleen en eenzaam. Zielloos. Hij vertelt hoe zielig het is om zonder ziel (Dichter merkt de speling van woorden en schrijft ze op) door de lichtstad te rijden in het donker, langs verlaten lanen die overdag het verkeer niet kunnen slikken, en je over te geven aan de sensaties van 12 cilinder motoren en het éen-worden met een machine. Knorpot vertelt grommend als de auto waarover hij vertelt hoe triest het is en hoe tekenend voor het zielloze bestaan: een worden met een auto en dat het hoogste genot vinden.
Hij vertelt dat hij niet vertellen kwam hoe het zo ver is kunnen komen. Het is als de kikker die je in in een kom laat zwemmen, die je heel langzaam verwarmt, en ook al kan de kikker ontsnappen, hij blijft, zich van geen kwaad bewust, in rondjes zwemmen tot hij levend gekookt wordt en sterft. Het is een feit dat we eens een toestand met intervallen van meer dan 12 seconden gaat veranderen, we niet bekwaam zijn, meestal, om die verandering waar te nemen. We merken het verschil niet. Iemand kan dus op ons toe sluipen, als hij zich slechts om de 12 seconden een heel klein beetje beweegt. Knorpot zegt dat hij dus niet weet wanneer hij zijn ziel verkocht en wanneer die vol tefal zat, zodat elke emotie en elk gevoel er af schoof. Hij kijk naar zakenman en zegt: zoals bij jou.
Knorpot vertelt hoe hij het ziet gebeuren bij iemand. Hoe langzaam de ziel ingekapseld wordt in hard beton. Tussen granieten muren. Overgoten met tefal. Hoe iemand het niet merkt. Hoe iemand zichzelf vergeet, want zonder ziel ben je een ander. Hoe iemand die licht uitstraalde dreigt schaduw te worden. Hij vertelt hoe hij ertegen waarschuwt en hoe meer hij dat doet, hoe harder het pantser wordt, want soms willen mensen de waarheid niet horen. Knorpot vertelt over de sektes van deze wereld en deze tijden. Hoe grote bedrijven met allerlei middelen mensen tot zielloze wezens maken, gedreven door ambitie en de wil er bij te horen, de beste te zijn, de eerste te zijn. Hoe winnend bedrijven die denken dat de wereld aan hun voeten ligt, elk gevoel met de wereld verliezen en hun mensen daarin meesleuren. Hoe die mensen worden zoals hij en zijn Bentley: ze worden éen. Mens en machine. Mens en bedrijf. Mens en winnen. Altijd. Overal.

Zakenman stapt weg, met grote stevige stappen, als marcheert hij.

Dichter schrijft verder en drinkt wat Knorpot hem vertelt en zeikt het uit in woorden. Hij eet het cynisme van Knorpot en braakt het tot zinnen.


Boerken komt langs de velden gewandeld en hij stinkt naar hooi en stro en mest en zweet en drank en is ongeschoren en ongekamd en zijn kleren lijken in geen maanden gewassen en zijn smoezelig en vettig en zwart en hij stapt hen allen voorbij en gaat in de keuken een jenever halen en drinkt die in een teug en schenkt zichzelf een tweede en komt dan buiten zitten in de zon en hij ziet nog hoe Zakenman in zijn designer vrije-tijds kleding aan het stappen is, weg van hen en hij zit Dichter schrijven in grote zwarte vette letters en hakende woorden en hij ziet hoe Knorpot zuur kijkt alsof die net een augurk gevreten heeft en Boerken grijnst en zegt "Allez, een typische gezellige zondag in de zon. nog iemand een jeneverken? Sigaarke? Cognacske? Niemand?"

"Ik ben de demon van het duister", schrijft Dichter, "waar licht is werp ik mijn schaduw."

vrijdag 11 mei 2012

Over vliegangsten

"Ik zat in het vliegtuig dat rammelde en schokte en beefde. De hele vlucht. De piloot zei vanaf het opstijgen, dat er geen service aan boord zou zijn en dat hij ons veilig doorheen de turbulentie zou brengen. Wat hij ook deed. Maar het voelde niet prettig", zegt Zakenman in zijn strakke pak.
Boerken kijkt naar Knorpot en vraagt of die, op zijn vele lange reizen nooit bang is geweest.
"Jawel", zegt Knorpot, "Natuurlijk ben je bang, soms. Dat het vliegtuig breekt of neerstort of uit elkaar valt. Ik zat ooit op een vlucht terug uit Praag in een vreselijk onweer boven Brussel en na 3 pogingen om te landen zei de piloot dat hij een vierde poging zou wagen en dat we ons krap moesten zetten want dat hij nu moést landen want dat de brandstof op was. Dan ben je inderdaad bang. Maar er zijn dingen waar ik banger voor was dan neerstorten. Want dat is bang en het is over. Eén luttele minuut angst en dan over. Er zijn ergere dingen, die heviger zijn en langer duren. Zoals eenzaamheid. Achter blijven. Zoals vergeten worden. Zoals uit iemands leven verglijden. Dàt leek en lijkt me altijd veel erger dan bwaaaaam tegen de grond knallen."

Het Stille Meisje luistert en zwijgt stil. Boerken grommelt en de Zakenman in strak pak aarzelt en zegt dan stil dat Knorpot misschien wel gelijk heeft.

"Het wordt koud vannacht", zegt Boerken, "en de velden liggen verzopen."
En zo braakt het leven zichzelf tot woorden.

donderdag 10 mei 2012

Over vliegen

Je vliegt. Neen. Je vliegt niet. Je wordt gevlogen. Met een paar tientallen mensen in een koker vol stoelen die door de lucht klieft en hard heen en weer schudt. We kijken elkaar niet aan. We worden gevlogen.
Een hevige wind duwt. Je landt errder dan plan.

dinsdag 8 mei 2012

Amsterdam-Kristiansand KL1209

Ik tik dit -bijna- live in op mijn Macbook pro vanaf Gate B30 op Schiphol. Ik ben een eind te vroeg. ik zit met een aantal passagiers verspreid over de stoelen, alsof we allemaal bang zijn van elkaar en lijden aan smetvrees. Sommigen reizen samen en zitten naast elkaar. We zitten helemaal achteraan die lange gate. Helemaal achterin in een bar van Heineken, waar je allerlei waterachtige bieren kunt kopen als daar zijn Heineken en Corona. En dikke sapjes fruit in pastieken flesjes die er even smakelijk uitzien als vers braaksel. De kleur van verse maagsappen. Ik bestel een dubbele koffie en het meisje achter de toonbank is blij een klant te zien. Die vriendelijk is. Ik ben Belg in Nederland vandaag en ben dus beleefd en vriendelijk. Een waardig ambassadeur. Ook bij die vervelende safety-check, waar ik een flesje parfum en een tube tandpasta moest achterlaten, vanwege 'te groot'. Ik reis veel. Ik neem altijd hetzelfde mee. Ik ken de routine. Ipad en Blackberry book uit de handbagage, Macbook, de Blackberry en de Iphone, Ipod, de horloge, mijn broeksriem, alles in het blauwe bakje. Mijn jas uit. mijn zakken checken. Het doorzichtige plastieken tasje met tandpasta en wat gel en een mini flesje Fahrenheit. Altijd en overal hetzelfde. Nooit problemen. Behalve vandaag. PC starten, tablets starten, telefoons starten, flesje inleveren. En ik bleef vriendelijk. Vlaming in Nederland. Wij zijn goedlachs. Vriendelijk.

Er komen nu en dan passagiers toe bij onze gate. Je ziet ze wanhopig kijken, want langzaam aan lopen de zitjes vol en het wordt steeds moeilijker ergens te gaan zitten waar je niet nààst iemand moet gaan zitten. Verscheurend. Mensen zijn vreemde wezens. Gaan met tienduizenden zwetend naast elkaar staan huppelen in sportpaleizen en feestzalen en staan hier met paniek op het gelaat te vermijden om naast iemand te moeten zitten. Ik heb mijn espresso langs de ene kant en mijn rugzak langs de andere kant geposteerd. Ik ben veilig.

Nu en dan klinkt die luchthavenstem die je overal hoort. Passagiers vertragen de vlucht. De stem dreigt hun bagage van het vliegtuig te halen. Ooit zat ik met een mede-reiziger in een bar in Teeside en we zaten te gieren van het lachen met die onmogelijke uitspraken van de buitenlandse namen van die passagiers die die strenge stem nu reeds tien minuten aan het omroepen was. Tot het ons ineens daagde dat het om onszelf ging. Boze blikken.

Ik nip aan mijn espresso. De dag is nog lang.

Schrijvend over luchthavens. Ik hou van luchthavens. Ik hou van stations. Ik hou van reizende mensen. Ik hou van vertrekken en toekomen. Ik hou ervan alleen te reizen. Ipod volume luid op de oortjes. Lezend. Schrijvend. Communicerend. Lange gesprekken heb ik gevoerd, zittend en wachtend, stappend en wachtend. Ik verveel me nooit. Hoe lang de wachttijd ook is. Ik observeer. Ik kom tot rust.

De drukte is vals. Er is meer activiteit in een bejaardentehuis tijdens de dagelijkse soap op tv dan in een luchthaven. Het is de drukte van een draaimolen.

Straks gaat de vlucht. De avond is nog lang. Het is zomer in Noorwegen.