zaterdag 4 mei 2013

Vloeipapier

Een dag is een dag. Begint ergens en eindigt ergens en daartussen vloeien de uren en de gebeurtenissen en wij mensen. Een dag is een dag. Daarna volgt een volgende.
De mensen. De dingen. De dagen. Wij zwijgen en onze woorden spreken in stilte. We sluiten onze ogen. We zinken.

Sent via BlackBerry offered by Proximus

vrijdag 3 mei 2013

Woorden en verder

"Ik heb niets te zeggen, en ook niets te vertellen en als ik al iets te vertellen had, dan nog zou ik zwijgen, want ik stik liever in mijn woorden of vreet mezelf eerder een indigestie dan dat ik woorden verspil die niemand hoort of leest en waar niemand wat mee doet."
Dichter heeft een snik in zijn stem en Knorpot gaat in de keuken. Zwijgend.

Sent via BlackBerry offered by Proximus

Boerken slaapt

Boerken is moe en ligt languit bij de haard en zijn ogen vallen toe en hij schrikt wakker van zijn eigen ronkende geluid nu en dan. Soms wegen de lange dagen zwaar. Hij is vroeg op en in de stallen en gaat veel te laat slapen omdat hij tot laat in de nacht blijft filosoferen met Zakenman en Dichter en Knorpot tot ze het roerend eens zijn of afschuwelijk oneens en alles daartussen. In de haard branden gloeiend rood oranje de houtblokken en likken lange gele vlammen rondom de zwarte balken. Boerken slaapt in en daarna zakt hij weg in dromen die hij zich niet herinnert.

Sent via BlackBerry offered by Proximus

Impasse

Hoe los je die impasse op, vraagt hij zich af en wie is hij die zichzelf hij noemt? De onmogelijkheid dat hij die zichzelf tot personage schrijft stopt met schrijven en dus niet langer is, toch opnieuw begint te schrijven, als uit het niets. Is de schrijver dan iemand anders dan de schrijver en is dat dan wat wij God noemen?

Dichter breekt de kop en Meisje geeft hem thee uit China en Boerken zegt dat Dichter zot is, punt uit en Knorpot zit gewoon buiten in de zon en kijkt naar de ruiters en de paarden in de late middagzon en Zakenman parkeert zijn lage bolide en stapt uit met een iPhone tussen zijn oor en rechterschouder en met een Blackberry tussen de handen, tikkend met de twee duimen en zijn hoofd is leeg en zijn gedachten zijn elders als steeds en daarna is er een stilte en een lege lijn en begint een nieuwe alinea.

Waarin de zon ondergaat in oranje en rood en roze en waarin de zachte bries uit het Zuidwesten gaat liggen omdat de avond en het duister er een deken overheen legt.

Sent via BlackBerry offered by Proximus

Schrijverij

Boerken zet een van de jonge paarden op wei. Die loopt hoog op de benen en de staart in de lucht aan de koord mee, dartel en klaar om meteen als een pijl uit een boog weg te schieten om van dolle blijdschap de achterbenen hoog uit te slaan, bokkend en springend. Op de weide rent een kievit hen dreigend en fel schreeuwend tegemoet als een zwartwit print uit een oude film en als Boerken tuurt, ziet hij twee kievitkuikens die slonzig gekleed gaan in pluizige mantels van dikke bruinige veren.

Boerken kijkt over de schouder van Dichter en snuift en gromt dat het zo niet was. "Zijt gij nu simpel of gewoon goed zot?" vraagt hij luidop "of vindt ge het gewoon plezant dit soort onnozelheden te schrijven. Dat paard was geen jong paard en was door de eerste warmte zo tam als als als...een tam paard en ja, er zat een kievit te schreeuwen en die kuikens zijn al even lelijk als dat schreeuwen. Maar zo denk ik niet hoor en zo zie ik het niet en zo zou ik het zeker nooit zeggen."

Dichter kijkt op van zijn blad en het schrijven en houdt op te schrijven en daarmee verdwijnen ze in de leegte zonder woorden.

Sent via BlackBerry offered by Proximus

donderdag 2 mei 2013

Leeuwerik

Knorpot loopt al een hele druilerige grijze ochtend te ijsberen op de boerderij. Het regent soms stevig en het is koud buiten. Hij heeft zijn handen diep in de zakken en zijn nek en hoofd laat hij diep in zijn schouders zakken. Als hij binnenkomt en zijn jas uittrekt en Meisje hem een espresso maakt, gaat hij zitten aan de verweerde tafel waar Dichter zit en hij zegt dat die over de vogels moet schrijven want dat het erg gesteld is.
"Ik vind geen mussen", zegt Knorpot. "Ze hebben hier alles. Het dichte struikgewas in de stilte en de beschutting naast het huis, waar niemand komt, er is hooi en stro. De paardenstront zit vol zaden. De emmers op de weide zitten vol water en als het regent staan er plassen op de wiedes en is er modder. En toch zijn er amper mussen. Ik heb er vandaag geen gezien. En zwaluwen? Open paardenstallen met hoog nok, open hooischuren, overhangende daken op het Zuiden. Modder. Vliegjes en muggen in overvloed. Modder en stro en hooi om nesten te bouwen. Maar geen zwaluwen. En dan zijn er de leeuweriken. In de velden zaten er in mijn jeugd honderden. Net als op de boerenhoven die hier stonden zwaluwen zaten en duizenden mussen. De leeuweriken stegen ten hemel in de brandende zon. Ik krijg kiekevel als ik eraan denk. Ik ruik de geuren uit mijn jeugd. Lig in het hoge gras. Ik kijk hoe dat kleine vogeltje zingend stijgt tot in de zon."

Dichter zit en luistert en ze drinken koffie en thee en de ochtend is grijs en kil en buiten regent het. De lucht is laag.

Sent via BlackBerry offered by Proximus

woensdag 1 mei 2013

Huid

De zon is oorverdovend vandaag en brandt het landschap in een zilveren gloed die pijn doet aan de ogen en schroeit de huid die blakerend zwart kleurt en gaat smeulen en roken en ik ben een zeeman starend over de bergen en wachtend op de zee die vanuit de hemel zal stromen als wijsheid en ik wil wandelen en blind zijn en vertrouwen en ik wil je aanraken, je hand raken en ik strijk de vleugels en zie bloemen in de tuinen en de ochtend en ik verdrink in de rivier en ik wandel samen in vertouwen en dan raak ik haar. Haar geest plooit open en ik kijk haar in de ogen. Een engel met huilend vel en veren. Brandhout. Ik ben een gladde ziel. Ik weet het. Het weten. Ik hoor hier niet thuis en zij wiegt de wereld. Windmolen in flauwe wind. Ik verberg me. Van wat ik wil is niets over. Wat weet ik. Leven. Ik ga nergens heen. Ik hou afstand. Hoeksteen. Sluitsteen. Kei. Geloven. Een bouwsteen. Ik praat te veel en zwijg steeds. Ik ben niemand. Ik ben een twijfelaar. Ik lig wakker en beken. Ik ben lijden. Ik ben de zondaar. De zon brandt een zilveren glans. Gras. Wolk. Boom. Denken. Schrijven. Proberen weer zinnen te schrijven. Proberen wolken te schrijven. Ik klop aan. Ik leef nog steeds. Mijn handen zijn te klein. Ik heb moe. Ik draag mezelf. Ik wandel tussen betonnen muren. Er groeit onkruid. Ik stop. Kijk. Sterren. Verlangen. Wat weet ik. Ik weet. Weten. De zon is warmte. Ik mis warmte. Mijn vel is kil. Ik ben een reptiel. Ik maak geen warmte. Ik steel warmte. Ik vang warmte. Ik huil. Krokodillentranen.
Denken. Ik denk. Ik deel mijn denken. Mijn denken verdeelt. Ik verdeel. Ik wil alleen zijn. Stenen. Steen. 7 minuten. 17 seconden. 100 kilometer. Oost. Het regent in mijn tekst. Ik schrijf pijn. Ik zie jou in de regen. Een brug, een hotel een verlaten snelweg en een vriend. Ik steel woorden en het regent in mijn zinnen. Ik kijk je aan. Ik zeg dat ik het weet. Ik zeg zoveel. Ik ben je gids. Druppels. De hemel barst met vogels.
Onder mijn voeten zand en ik ben zonder schoenen en het zand is scherp en droog en warm. Zwart. Meisje. Ik droom. We proeven zout. Ik denk aan hoe het was en ik weet dat het anders zou zijn, beter en zachter en ik zou praten een hele nacht en alles vertellen, we zouden wandelen daarbuiten en de waarheid zou zoet zijn en ik zou rond mijn as spinnen en ik zou luisteren en alles weten en daarna zou er rust zijn. Akkers. Ploegen. Een eenzame boom. Een kleine wolk. Een graszode. Een opvliegende vogel. Een stil woord. Thuis. Muziek. Ik wil niet naar huis. Neem me mee. Nacht. Leven. Mensen. Niet. Ik ben. Het is duister. Ik ben een vreemdeling. Deze nacht. Knotwilgen op een rij in het licht. Ik ben hier neergeworpen. Ik ben onderweg. Ik ben een kind. Ik ben een herinnering.
Sent via BlackBerry offered by Proximus