Boerken is buiten en met Boerken verdwijnt de geur van jenever en hooi en paard. De Droeve Dichter schrijft verder aan zijn roman en in die roman schrijft het mensenkind een brief:
Soms heb ik behoefte aan het schrijven van lieve woorden en alleen lieve woorden. Vaak begin ik zinnen met soms. Soms komen lieve woorden makkelijk. Soms komen met de lieve woorden ook fijne gedachten. Meestal. Soms echter komen ondanks de lieve woorden flarden weemoed binnengedreven als dunne mistslierten. Soms wordt dat een dikke trieste soep. Soms zijn ze enkel mistslierten en blijft het helder. Soms komen ze net voor regen en wind en kilte en storm.
Ik weet niet wat ze vandaag brengen. Ik kan ze zelfs moeilijk vinden, de woorden vandaag. Ze zitten ver weg.
Er zijn andere dingen die ik je zeggen wil in dit uur onder de noen. Dat je een godenkind bent. Zonder het te beseffen. Gelukkig.
Daarna leest de Dichter de zinnen luidop. In zijn stem klinkt eerst teleurstelling, daarna schaamte. Hij scheurt het blad uit het schriftje waarin hij schrijft en maakt er een prop van die hij gooit in een hoek van het Donker Kot, op de stapel andere proppen.
In zijn hoofd groeit een roman. In de hoek van het Duister Kot groeit een stapel proppen. Ergens groeit een roman van woorden en zinnen en beelden. Maar Ergens is geen wit papier met zwarte letters.
De tergend langzaam meanderende levens van Droeve Dichter, Boerken, Oude Knorpot, Gladde Zakeman, Stil Meisje, Grijze Filosoof, Buurmans en de Trage Stroom.
woensdag 23 november 2011
Waarover men schrijft
Boerken komt stoemelings binnen gevallen bij de Droeve Dichter, vloekend en miljarend. De Droeve kijkt niet op. Hij schrijft. Hij schrijft verder. Hakend in zijn kromme handschrift. Boerken vloekt en miljaart nog een keer en de Droeve kijkt even op en zegt: Zeg maar wat je zeggen wil, want het is duidelijk dat je aandacht vraagt.
Boerken vertelt over een paard met koliek dat hij naar de dierenkliniek heeft moeten brengen. Boerken heeft een snik in de stem en klinkt hees. Boerken huilt en snikt en vloekt en miljaart. Hij gaat tot bij de keukenkast en neemt de jeneverfles, draait de dop er af en slokt gulzig.
En waar zijt gij mee bezig, triestigaard?vraagt hij aan de Droeve Dichter. Ik heb u in dagen, neen, weken, niet gezien. Bestaat die nog wel, vroeg ik mij af. Leeft die nog wel?
De Dichter trekt de schouders op. Ik schrijf, zegt hij. Dagen aan een stuk. Geen gedichten meer.
Boerken gaat op een stoel zitten en kruist de armen en kijk nors en verbaasd tegelijkertijd en snuift en hoest en kucht en rochelt en drinkt van de fles.
Je ziet er slecht uit Boerken, zegt de Droeve en Boerken zegt dat de Droeve er nog slechter uitziet en De Droeve lacht zuur en zegt dat Boerken gelijk heeft als die zegt dat de Droeve er vermoeid uit ziet, want dat hij dagen en nachten niet geslapen heeft. want hij heeft geschreven, dagen en nachten aan een stuk. Maar, zegt hij, toch weet ik, dat jij, Boerken, er nog veel meer uitziet als een platgeslagen hond met schurft en een slepende ziekte en chronisch slaap- en vitaminentekort.
Waarover schrijft ge dan? vraagt Boerken.
De Dichter zegt niets en zwijgt even en zegt dan.: Over een Godenkind en een mensenkind en hoe het mensenkind verliefd wordt op dat Godenkind en het Godenkind op het mensenkind en hoe het mensenkind daardoor niet meer mens kan zijn want hij heeft het goddelijke geproefd en ook niet bij de goden hoort, want het is mens, en hoe het Godenkind dat ziet gebeuren maar ook Godenkinderen kunnen geen mirakels verzorgen en hoe het Godenkind denkt het mensenkind te kunnen redden door niet dezelfde fout te maken en tussen wal en schip te eindigen en hoe het Godenkind dus tussen de Goden blijft en onbereikbaar voor het mensenkind, denkend dat het mensenkind zich daardoor weer tot de mensen zal wenden. Verder ben ik nog niet.
Boerken snuift en snuit zijn neus in zijn mouw en zegt niets en loopt stil weer naar buiten, mompelend: En zelfs als dat mensenkind het zou weten, vooraf, zou hij hetzelfde doen, want wie wil niet de kans grijpen het Goddelijke even te mogen proeven? Boerken wankelt buiten en slierten dunne mist glijden zijn landschap binnen als stille woorden die zinnen vormen die straks als een dichte grijze dreigende mist van zinnen zijn geest komt verdoven als de jenever die hem in de kilte van de nacht naar de kop stijgt.
Boerken vertelt over een paard met koliek dat hij naar de dierenkliniek heeft moeten brengen. Boerken heeft een snik in de stem en klinkt hees. Boerken huilt en snikt en vloekt en miljaart. Hij gaat tot bij de keukenkast en neemt de jeneverfles, draait de dop er af en slokt gulzig.
En waar zijt gij mee bezig, triestigaard?vraagt hij aan de Droeve Dichter. Ik heb u in dagen, neen, weken, niet gezien. Bestaat die nog wel, vroeg ik mij af. Leeft die nog wel?
De Dichter trekt de schouders op. Ik schrijf, zegt hij. Dagen aan een stuk. Geen gedichten meer.
Boerken gaat op een stoel zitten en kruist de armen en kijk nors en verbaasd tegelijkertijd en snuift en hoest en kucht en rochelt en drinkt van de fles.
Je ziet er slecht uit Boerken, zegt de Droeve en Boerken zegt dat de Droeve er nog slechter uitziet en De Droeve lacht zuur en zegt dat Boerken gelijk heeft als die zegt dat de Droeve er vermoeid uit ziet, want dat hij dagen en nachten niet geslapen heeft. want hij heeft geschreven, dagen en nachten aan een stuk. Maar, zegt hij, toch weet ik, dat jij, Boerken, er nog veel meer uitziet als een platgeslagen hond met schurft en een slepende ziekte en chronisch slaap- en vitaminentekort.
Waarover schrijft ge dan? vraagt Boerken.
De Dichter zegt niets en zwijgt even en zegt dan.: Over een Godenkind en een mensenkind en hoe het mensenkind verliefd wordt op dat Godenkind en het Godenkind op het mensenkind en hoe het mensenkind daardoor niet meer mens kan zijn want hij heeft het goddelijke geproefd en ook niet bij de goden hoort, want het is mens, en hoe het Godenkind dat ziet gebeuren maar ook Godenkinderen kunnen geen mirakels verzorgen en hoe het Godenkind denkt het mensenkind te kunnen redden door niet dezelfde fout te maken en tussen wal en schip te eindigen en hoe het Godenkind dus tussen de Goden blijft en onbereikbaar voor het mensenkind, denkend dat het mensenkind zich daardoor weer tot de mensen zal wenden. Verder ben ik nog niet.
Boerken snuift en snuit zijn neus in zijn mouw en zegt niets en loopt stil weer naar buiten, mompelend: En zelfs als dat mensenkind het zou weten, vooraf, zou hij hetzelfde doen, want wie wil niet de kans grijpen het Goddelijke even te mogen proeven? Boerken wankelt buiten en slierten dunne mist glijden zijn landschap binnen als stille woorden die zinnen vormen die straks als een dichte grijze dreigende mist van zinnen zijn geest komt verdoven als de jenever die hem in de kilte van de nacht naar de kop stijgt.
vrijdag 11 november 2011
Als ik God was. KL 204.
Boerken en De Droeve Dichter en De Oude Knorpot staan buiten in de gure wind onder een betonnen hemel en ze zijn stil want ineens, zonder enige verwittiging, keert de wind naar het Oosten en wordt die droog en mild en lossen de wolken op binnen het halfuur. De hemel wordt vloeibaar blauw en het gras wordt groen en de bomen bruin. De vogels laten zich horen als was het lente. Ze zijn stil en ondergaan die plotse wisseling van weer met hun hele lijf en ziel.
De Droeven Dichter zegt ineens ofluisyerend "Als ik God was, deed ik dit elke dag."
En Boerken kijkt omhoog en ziet vanuit het Oosten waar de luchthaven is, een vliegtuig de hemel in klimmen, moeizaam en bulderend en hij wijst en zegt "Mij krijgen ze daar nooit in, in zo'n vliegmachien."
En de Oude knorpot krijgt een glimlach op het gelaat zowaar en zing met zachte stem en Nederlands accent: " De snelweg Utrecht-Amsterdam rijd ik af bij Vinkenveen, er zijn een stuk of 3 clubs in Hilversum en daar ga ik dan maar heen..."
De anderen kijken hem aan en zwijgen en zeggen niets want ze horen de bibber in zijn stem en zien het verdriet dat zijn ogen tranerig maakt en zij voelen zijn gekraste ziel en weten niet wat zeggen maar ze weten niet waar die rijmende woorden en die tristesse ineens vandaan komen.
Ze gaan bij Boerken binnen en daar zit de Gladde Zakenman en die wilden ze nu net niet zien en horen.
Boerken schenkt jenever voor iedereen, ook voor de Gladde met zijn strakke kleding en gehuld in Fharenheit en eigendunk. En de Gladde merkt niet dat er stilte gewenst is want hij is als Tefal en hij kijkt De Droeve Dichter aan, want hij is hier om een ziel te winnen en hij zegt:
"De beste techniek, mijn waarde, om moeilijke boodschappen te brengen, is gestolen bij de kinderen. Die passen deze dubbele strategie puur spontaan toe. De techniek is een combinatie van 'toevallige terloopsheid' en 'salami'. Je brengt het slechte of moeilijke nieuws in kleine schijfjes. Beetje bij beetje vorm je het beeld. En je doet dat nonchalant, terloops, zodat die kleine schijfjes een na een passeren bij de ander die pas langzaam het totaalplaatje begint te zien, maar die dan al zoveel heeft laten passeren, dat die nog moeilijk reageren kan.' Boerken en De Oude Knorpot luisteren ook en hoezeer ze de Gladde ook verafschuwen, telkens weer luisteren ze geboeid.
De Oude staat op en komt tien minuten later terug binnen en opent een kast van Boerken en legt een oude vinylplaat op op en ze luisteren alle vier stil naar "Als ik God was KL 204" en ze horen en herkennen het laatste refrein, maar niet de tristesse van De Oude en De Droeve Dichter fluistert "Verdomme, zo raak."
Buiten zakt de zon naar het Westen als werd ze daarheen gedreven door de zachte Oostenwind.
De Droeven Dichter zegt ineens ofluisyerend "Als ik God was, deed ik dit elke dag."
En Boerken kijkt omhoog en ziet vanuit het Oosten waar de luchthaven is, een vliegtuig de hemel in klimmen, moeizaam en bulderend en hij wijst en zegt "Mij krijgen ze daar nooit in, in zo'n vliegmachien."
En de Oude knorpot krijgt een glimlach op het gelaat zowaar en zing met zachte stem en Nederlands accent: " De snelweg Utrecht-Amsterdam rijd ik af bij Vinkenveen, er zijn een stuk of 3 clubs in Hilversum en daar ga ik dan maar heen..."
De anderen kijken hem aan en zwijgen en zeggen niets want ze horen de bibber in zijn stem en zien het verdriet dat zijn ogen tranerig maakt en zij voelen zijn gekraste ziel en weten niet wat zeggen maar ze weten niet waar die rijmende woorden en die tristesse ineens vandaan komen.
Ze gaan bij Boerken binnen en daar zit de Gladde Zakenman en die wilden ze nu net niet zien en horen.
Boerken schenkt jenever voor iedereen, ook voor de Gladde met zijn strakke kleding en gehuld in Fharenheit en eigendunk. En de Gladde merkt niet dat er stilte gewenst is want hij is als Tefal en hij kijkt De Droeve Dichter aan, want hij is hier om een ziel te winnen en hij zegt:
"De beste techniek, mijn waarde, om moeilijke boodschappen te brengen, is gestolen bij de kinderen. Die passen deze dubbele strategie puur spontaan toe. De techniek is een combinatie van 'toevallige terloopsheid' en 'salami'. Je brengt het slechte of moeilijke nieuws in kleine schijfjes. Beetje bij beetje vorm je het beeld. En je doet dat nonchalant, terloops, zodat die kleine schijfjes een na een passeren bij de ander die pas langzaam het totaalplaatje begint te zien, maar die dan al zoveel heeft laten passeren, dat die nog moeilijk reageren kan.' Boerken en De Oude Knorpot luisteren ook en hoezeer ze de Gladde ook verafschuwen, telkens weer luisteren ze geboeid.
De Oude staat op en komt tien minuten later terug binnen en opent een kast van Boerken en legt een oude vinylplaat op op en ze luisteren alle vier stil naar "Als ik God was KL 204" en ze horen en herkennen het laatste refrein, maar niet de tristesse van De Oude en De Droeve Dichter fluistert "Verdomme, zo raak."
Buiten zakt de zon naar het Westen als werd ze daarheen gedreven door de zachte Oostenwind.
donderdag 10 november 2011
Boerken en de griep
Boerken ligt met griep te bed en vloekt en tiert en hoest en kreunt en jaagt iedereen weg want hij heeft griep en dan is boerken ongenietbaar. Buiten werken de Droeve Dichter en de Scheve Schilder, die stille de altijd vergeten wordt en die daar niet om geef. Ze werken in de stallen. Onhandig en langzaam. Ze knoeien wat aan en zijn lacherig opgewekt als kleuters. De Oude Knorpot die hen zo bezig ziet mompelt wat in zichzelf en slentert weg, de handen diep in de zakken en de kop diep in de kas.
In de kop van Boerken jaagt de winter botsend met de herfst en bonkend tegen een zomers onweer en in zijn leden en lijf janken de wolven tegen de maan en huilen hyena's en beuken kuddes wildbeesten en krioelen miljoenen termieten en worden de heuvels kaal gekapt en de bossen worden woestijnen en tornado's razen over de velden. Boerken zweet. Boerken hoest dikke fluimen en zijn longen knarsen en piepen en schuren en branden.
De Oude Knorpot zit beneden en als de Droeve en De Scheve binnen komen en zich warmen aan de stoof, begin hij te zagen en te klagen over zijn oorlogswondes die vol granaatscherven zitten en die in alle haast zijn dichtgenaaid met botte naalden en ruwe koorden en die ontsmet zijn met jenever en later zijn gaan ontsteken en etteren en die daarom nooit volledig zullen genezen. Die pijn doen van tijd tot tijd.
'Tijdbommen zijn het', zegt de Oude Knorpot,'als de granaatscherven gaan zwerven kunnen ze pezen raken, of aders, of zenuwen. Je kan ondraaglijke pijnen lijden, of je kan verlamd raken of ineens doodvallen. Ik haat die zeurende pijn van oorlogswondes die komt en gaat.'
De Droeve Dichter haalt de schouders op en zegt dat hij erover schrijven zal en De Scheve Dichter zegt niets.
Buiten schuift de volle maan in het zenith tussen de sterren door. De velden zijn kaal en kreunen onder het tergense lawaai dat vanaf de steenwegen komt aandreunen als een onophoudelijke lawine.
Boerken hoest.
Binnen snuiven de paarden. In de stallen is het warm en stil. Er is rust.
In de kop van Boerken jaagt de winter botsend met de herfst en bonkend tegen een zomers onweer en in zijn leden en lijf janken de wolven tegen de maan en huilen hyena's en beuken kuddes wildbeesten en krioelen miljoenen termieten en worden de heuvels kaal gekapt en de bossen worden woestijnen en tornado's razen over de velden. Boerken zweet. Boerken hoest dikke fluimen en zijn longen knarsen en piepen en schuren en branden.
De Oude Knorpot zit beneden en als de Droeve en De Scheve binnen komen en zich warmen aan de stoof, begin hij te zagen en te klagen over zijn oorlogswondes die vol granaatscherven zitten en die in alle haast zijn dichtgenaaid met botte naalden en ruwe koorden en die ontsmet zijn met jenever en later zijn gaan ontsteken en etteren en die daarom nooit volledig zullen genezen. Die pijn doen van tijd tot tijd.
'Tijdbommen zijn het', zegt de Oude Knorpot,'als de granaatscherven gaan zwerven kunnen ze pezen raken, of aders, of zenuwen. Je kan ondraaglijke pijnen lijden, of je kan verlamd raken of ineens doodvallen. Ik haat die zeurende pijn van oorlogswondes die komt en gaat.'
De Droeve Dichter haalt de schouders op en zegt dat hij erover schrijven zal en De Scheve Dichter zegt niets.
Buiten schuift de volle maan in het zenith tussen de sterren door. De velden zijn kaal en kreunen onder het tergense lawaai dat vanaf de steenwegen komt aandreunen als een onophoudelijke lawine.
Boerken hoest.
Binnen snuiven de paarden. In de stallen is het warm en stil. Er is rust.
woensdag 9 november 2011
Onder de zwarte stolp van de nacht.
Boerken is verkouden en met een bonkende kop vol snot mest hij de stallen uit en zeult hij de zware kruiwagens tot de mesthoop nadat hij ze heeft volgeladen met naar ammoniak stinkende rood rosse houtkrullen en zware bollen paardenmest. De riek gaat heen en weer en Boerken vloekt omdat zijn rug zeurt en zijn kop zeer doet.
Buiten is het donker en het stinkend irritante lawaai van autobanden op asfalt en treinen op rails waait over de kale velden, over de weides met de Oostenwind die zacht is en droog. In het Oosten klimt de maan en vanaf de gindse luchthaven stijgen vliegtuigen op. Vrachtwagens bulderen, treinen janken en motors gieren. Boerken wordt er moe van.
Hij haalt de paarden van de weides, een na een en legt hun dekens op voor de nacht terwijl ze hooi eten. In de stallen is het lawaai weg.
Binnen zit de Gladde Zakenman en hij leert de Droeve Dichter hoe die een zakenman kan worden en hij toont hoe hij de aandacht trekken kan, door al pratend nonchalant achteruit te leunen, druk gesticulerend met de handen alsof het er allemaal weinig toe doet en hoe hij met woorden een web maakt en door zijn houding dat web onzichtbaar blijft en hoe hij, als de ander praat op de juiste momenten voorover gaat zitten, de armen geopend en met de ogen in de ogen van de ander, aandachtig luisterend en hoe die ander zich dan gewaardeerd gaat voelen en gehoord en hoe die honderduit gaat vertellen alle dingen die de Gladde weten moet. En de Droeve Dichter weet zich betrapt, kijkt naar de zakenman en voelt afschuw en bewondering tegelijkertijd.
Hij gaat zitten aan de verweerde tafel en schrijft op een wit blad papier:
Boerken komt binnen, hoestend en snotterend, en even later is ook de Oude Knorpot en die vult meteen de avond en de ruimte met gezaag en geklaag over Paters en Bier en Commercie en Volksverlakkerij en niemand luistert.
Buiten is het donker en het stinkend irritante lawaai van autobanden op asfalt en treinen op rails waait over de kale velden, over de weides met de Oostenwind die zacht is en droog. In het Oosten klimt de maan en vanaf de gindse luchthaven stijgen vliegtuigen op. Vrachtwagens bulderen, treinen janken en motors gieren. Boerken wordt er moe van.
Hij haalt de paarden van de weides, een na een en legt hun dekens op voor de nacht terwijl ze hooi eten. In de stallen is het lawaai weg.
Binnen zit de Gladde Zakenman en hij leert de Droeve Dichter hoe die een zakenman kan worden en hij toont hoe hij de aandacht trekken kan, door al pratend nonchalant achteruit te leunen, druk gesticulerend met de handen alsof het er allemaal weinig toe doet en hoe hij met woorden een web maakt en door zijn houding dat web onzichtbaar blijft en hoe hij, als de ander praat op de juiste momenten voorover gaat zitten, de armen geopend en met de ogen in de ogen van de ander, aandachtig luisterend en hoe die ander zich dan gewaardeerd gaat voelen en gehoord en hoe die honderduit gaat vertellen alle dingen die de Gladde weten moet. En de Droeve Dichter weet zich betrapt, kijkt naar de zakenman en voelt afschuw en bewondering tegelijkertijd.
Hij gaat zitten aan de verweerde tafel en schrijft op een wit blad papier:
Met mijn trieste blik en mijn verhalen gedrenkt in tristesse schrijf ik met wit krijt op zwarte muren:
Onder de zwarte stolp van de nacht in de gelige lichten van de verre stad glijdt een zwarte stroom als zware olie naar zee. Over het water schrijdt in het gelige licht aan de gindse einder waar de stad spookt als geschreeuwde woorden, de bijna onmerkbare witte gestalte van het Meisje van de Zee, als de adem van een kind, de zachte bries over de stranden.
Ze schrijdt behoedzaam fluisterend over het dikke water wit op zwart en ik schrijf haar zwart op wit op het dunne papier heftig krassend.
Ik schrijf haar zwart op wit 'ik hou van jou' en wit over zwart glijden mijn woorden als mistflarden tot bij haar en ze omcirkelen haar zachte verschijning en ze ademt mijn woorden en wordt woord.
Met wit krijt op zwarte bordverf over zwart inkten letters op wit papier. Ik buig de waarheid. Ik speel.
Boerken komt binnen, hoestend en snotterend, en even later is ook de Oude Knorpot en die vult meteen de avond en de ruimte met gezaag en geklaag over Paters en Bier en Commercie en Volksverlakkerij en niemand luistert.
vrijdag 4 november 2011
Rix fairytales
Er waren eens twee Koningskinderen en die hadden elkander zo lief, maar het water was veel te diep en hun ongeduldig verlangen was te groot om zwemlessen te overwegen en dus kochten zij een dompelpomp bij de lokale bouwmarkt en ze leefden nog lang en gelukkig.
Sprookjes uit de koekentrrommel
Er waren eens een leeuw, een lam en een wolf en een hert en een jager en nadat de jager het hert had geschoten en zijn buit probeerde tot bij de blokhut te sleuren, viel de leeuw hem aan en doodde hem met een stevig slag van zijn linkervoorpoot in de mensennek die meteen knakte en terwijl de leeuw eerst het hert ging opvreten want hertenvlees is lekkerder dan mensenvlees, en terwijl diezelfde leeuw in zijn vraatzucht op niks of niemand lette, ontfultselde het slimme lam het grote geweer aan de levenloze jager en het lam schoot zonder aarzelen de leeuw dood en meteen ook, voor de zekerheid de wolf die net op de open plek verscheen en verder geen rol speelt in dit verhaal en het lam leefde nog lang en gelukkig en eenzaam en had nog vier kogels over in het grote geweer.
Abonneren op:
Posts (Atom)