zaterdag 31 maart 2012

Een droom in een droom in een herinnering.

"Je weet wat hier onder de zwarte verf staat geschreven in zwarte letters op witte verf?" vraagt Dichter stil en Knorpot en Filosoof kijken elkaar aan en zeggen niets en de een drinkt Duvel en de andere Geuze en ze zijn roezig. Ze weten wat er staat. Dichter kent het uit het hoofd.

"De zee in mijn dromen is van het mooiste grijs dat groenig is en dus gelig en blauwig met donker pigment dat naar het paarse neigt en ze is oneindig en markeert scherp de einder. De lucht er boven is vol met stapelende wolken die donker zijn onderin en grijzig waar het licht vandaan komt van de onzichtbare zon en de wind jaagt de wolken van over zee het land in. In mijn dromen is het kil en de wind is hevig.
In mijn droom ruikt hij de zoute lucht van de zee.
In mijn droom wandelen zielen samen over het strand dat vlak geblazen is door de wind en vlak gesleept door het wegtrekkende water. Het strand is breed en donker. In mijn droom zijn de paaltjes die de golven breken zwart met groene algen, blinkend van het water. In mijn droom wandelen zielen over het strand.

In mijn droom fluisteren zielen woorden die klinken als de wind en vertellen ze over eeuwigheid en onmetelijkheid en rust en liefde. Ze praten als de bries die over de gindse duinen glijdt en woorden maakt met de zandkorrels die scherp zijn en over elkaar glijden onmerkbaar en het duingras dat zich legt in de wind en die zichtbaar maakt zoals letters woorden laat zien. Haar woorden.
Op het strand, daar waar de vloed is gekomen, ligt een witte gezandstraalde stok en daarmee schrijft ik in mijn droom. Ik schrijf de verhalen in mijn hoofd die vertellen van heimwee en eeuwigheid en zielen en eenheid en verlangen en hunkering. Ik ze op, wil ze schrijven en eindig met een enkele zin in in zandletters op het strand.
In mijn droom praten ogen en ik zwem in haar ziel als in de zee en haar ziel is warm en zout en ontsloten als de zee.

In zijn droom is dit een eeuwig moment. Het is een droom in een droom."


"Zo ging die droom niet", mompelt Knorpot.
"Geeft niet", zegt Filosoof, "het is goed zo."

Buiten is het nacht. Binnen brandt de haard. Het is stil.


De Filosoof en de Terrorist en een Luchtkasteel

De Grijze Filosoof komt met de bittere kou binnenwaaien en kijkt de Dichter aan, die zegt de Nacht te zijn en de Filosoof spreekt zacht, bijna in zichzelf:
... de nacht, Drager van Dromen, voorbode van de zon, spanning van startgrid, bindmiddel van avond en ochtend, deken voor zorgen en pijn, moment om het denken voelen te maken. Moment voor zeespiegelende maanlichtwandelingen.


De Dichter zwijgt en staart voor zich uit en daarna murmelt hij wat over lege flessen en handpalmen zonder zandkorrels en leegte en pijn en eenzaamheid en hij kijkt naar buiten, waar de avond over de tuin gaat liggen.

De Grijze Filosoof neemt een stuk krijt en zoekt een mooi stuk matzwarte muur dat nog onbeschreven is, als een deel van de nachtelijke hemel zonder sterren en hij schrijft bedachtzaam zelfzeker woord na woord:

Ik moet de gaten dichten,
het leven vullen,
de duisternis oplichten.

Woorden verplichten,
me te volgen,
zinnen te verlichten.

Regels schrijven,
onder't mom,
mezelf te beklijven.

ja, de gaten dichten




Hij gaat zitten aan de verweerde tafel naast de Dichter die de woorden leest met lege ogen en die verder zwijgt in duizenden woorden die de ruimte vullen met het brute geweld van de stilte. En dan staat de Filosoof op en hij schrijft in sierlijke letters iets verder en dichter bij de grond:

Ik ben een terrorist,
Je ergste nachtmerrie,
Je dromen ontstolen,
Want ik heb je luchtkastelen opgeblazen.

vrijdag 30 maart 2012

Ik ben de nacht

In de stilte tussen de ongeschreven zinnen en in de leegtes tussen de ongesproken woorden, leest en luistert het ruisen van de zee. Iemand wandelt op het strand. Het is nacht. Het is koud. Het voelt als vriezen, tegenwind langs de waterlijn. Iemand stapt stevig door en de wind waait door zijn dunne pak en zijn dunne hemd is als de winter die tegen zijn lijf ligt als het laken over een dode.
Hij bezielt zee, strand en duinen, hij bezielt de wind en de golven, de zwarte staken die de golven breken tot ze rond zijn, gepolierd door het water en groenig zwart van de algen. In het bijna duister van de maanloze nacht zijn ze pikzwart als Chinese inkt.
Hier kom ik telkens weer terug, denkt hij, stappend langs de waterlijn, bibberend en klappertandend. Dun snot stroomt uit zijn neus en hij heeft geen zakdoek bij zich. Hij ademt langs de mond en de koude wind die hij in zijn longen zuigt bij elke stap tegen de kille wind, scheurt zijn longblaasjes aan flarden en bevriest het bloed dat de zuurstof naar zijn verschraalde hart moet voeren. Zijn hart bonst en smeekt en jankt.
Hij bezielt de zwarte hemel met de donkere wolken en hij ademt zijn ziel uit met elke ademstoot.

Hij is de nacht.
Hij komt tot rust.

In de nacht.

Hij is ik.
Ik kom tot rust.
Ik ben de nacht.

Ik de nacht.
Ik de rust.

Ik rust.

Rust.

Ik.

donderdag 29 maart 2012

De wereld is een slagveld

De stilte van het gedreun in een hotelbar in de nacht. De eenzaamheid van een volle hotelbar. Iemand likt de eigen wondes en merkt dat dat zout is en brandt. Een dubbele wodka. De barman kijkt bedenkelijk. Nog een? Straks drink ik koffie. De bar loopt vol en straks leeg. Iemand huilt bij de wodka. De nevel neemt geen pijn weg. De avond schuurt

Op een ipod tikt iemand trage woorden. De tijd is een ijsberg. De tijd is bevroren. Met een scherpe ijspin trekt iemand diepe sporen in de eigen ziel. Krassend. Iemand jankt. Niemand luistert. De tijd glijdt niet meer. De wereld staat stil. We zijn allen alleen. In een ziel kun je verhalen krassen.

Ergens roept iemand.
Ergens vraagt iemand zich af: is dit de bodem?

Is er een ondergrens aan eenzaamheid? Neen dus.

Iemand tracht in woorden zin te zoeken en de woorden falen. Zin is er niet. Er is niets.

De bar loopt leeg. De eenzaamheid is totaal. De stilte is oorverdovend.

Iemand bestelt de volgende dubbele wodka. Het glas is dun en breekbaar en zwaar en de weg naar de mond is een veldslag.

De wereld is een slagveld.


woensdag 28 maart 2012

Een gewone dag in maart

Knorpot toont zijn diepblauwe rechter bovenbeen dat blauw ziet, bijna zwart en geschaafd is en geraspt en hij zaagt en klaagt en knort en bromt en niemand luistert en hoe meer hij genegeerd wordt, hoe dieper hij zakt in zelfmedelijden en zelfbeklag.
"Waarover gaat die roman die ge aan het schrijven zijt?" vraagt Boerken, "Want ik weet dat ge een roman schrijft, want ge hebt het de Grijze Filosoof gezegd en die was gisteren zo zat van de rode wijn dat hij me met meer dan dubbele tong alles verteld heeft, ook over uw zwarigheden over dat meiske van de zee, die uwe kop zot maakt en die u niet ziet staan omdat ze van de zee is en gij van klei en zand en steen."
Dichter aarzelt of hij iets zeggen gaat en Boerken raast maar door, "Ge moet u zien, met uw lange haar en uwe baard van dagen en uw babyface en uw triestigheid en uw depressies en de dagen dat ge in bed blijft liggen. Ge moet u zien in uw oude jeansbroeken en uw vuile shirts. Denkt ge nu echt dat een godenkind naar u omkijkt? De schone en het beest? Man man man, wat een sukkel zijt gij."
Knorpot heeft zijn kans geroken en schaart zich bij Boerken en begint met zijn litanie: "Hoort u bezig, Boerken. Gij die stinkt naar paardenstront en de ammoniak van hun pissen en naar de zurige geur van voordroog en de wakke geur van hooi en naar uw zweet en ongewassen kleren, naar de alcohol die ge 's morgens vroeg al naar binnen kapt. Wat zit gij op die arme Dichter te kappen? En gij Dichter, wat denkt ge wel. Boerken hééft gelijk he. Het Meisje van de Zee is een hersenschim he makker, een droombeeld, een engel, een fee. Wat denkt ge? Dat ze u ooit gaat beminnen omdat ge af en toe schone woordekens schrijft en mooie verhaalkens en mooie gedichtekes? Over wat schrijft ge eigenlijk? Over ons? Bende sukkels. En ge gebruikt 2oo woorden en het enige wat ge doet zijn die woorden in een andere volgorde zetten, elke keer weer opnieuw."

"Mag ik zeggen waarover mijn roman gaat?" vraagt Dichter, "of mag dat niet?"

Ineens valt er stilte, want de Gladde Zakenman die de hele middag onder de kastanjeboom heeft zitten werken op zijn Apple en heeft zitten bellen en palaveren, breed gesticulerend in elvendertig verschillende talen, spreekt en dan zwijgen de anderen. 3mag ik er je op wijzen, Boerken en Knorpot, dat ik hier zit omdat ik hier graag ben en dat jullie hier ook zijn, en ik veronderstel om dezelfde reden. En dat hij verliefd is op een onbereikbaar meisje, dat is dan maar zo. Boerken, waarom ben jij jaloers? Vertel me. En jij daar, Knorpot, met uw vrouw en kinderen en uw gespeelde zwaarmoedigheid, gun je Droeve Dichter dat dan niet? Herken je dat dan niet? Waarom ben ik graag bij haar? Precies. Omdat wij allemaal op onze manier verliefd zijn op die engel, dat godenkind. Ja toch? En vertel nu, Dichter, al je dat al wil, waarover je roman gaat waarbij wij allen slechts de raamvertelling zijn om de boel wat op te fleuren."

Dichter aarzelt.

"Het is een lange flash back, vol wormgaten. Het gaat over iemand die haar geliefde heeft verloren in een vreselijke vliegtuigcrash. Een geliefde met wie ze net gebroken had, omdat hij haar verstikte omdat hij een klootzak was, niet omdat hij dat wou zijn, maar omdat hij zo was. Punt. En nu, 30 jaar later gebeuren allerlei vreemde dingen in haar leven en ergens groeit het onbestemde gevoel dat hij niet dood is en ergens rondwaart en als een afwezige god haar leven duwt en stuurt en dan denkt ze terug en groeit het besef dat hij er de hele tijd was. Dat is te eenvoudig. Het is ingewikkelder. En het is eenvoudiger. En dat meng ik met het verhaal van mijn vader die vertelt over zijn ouders, want ik wil in mijn leven maar één roman schrijven en niet 25 keer dezelfde zoals zoveel schrijvers."

Boerken gromt en Knorpot bromt en Zakenman tikt op zijn smartphone en het Stille Meisje zwijgt in duizend woorden en is aanwezig door er niet te zijn en de stilte die valt is oorverdovend.





dinsdag 27 maart 2012

Leonard Cohen, The Gangreen Remix

Prelude, door Grijze Grijnzende Filosoof:
Gangzaam... de kale harde leegte tussen muren, onverbiddelijk dwingend tot haastig traag stappen zonder lopen, plafonds die tot de vloeren reiken, deuren linksrechts deuren, deuren achtervoor deuren. Koude saaie lichten, gangzaam gericht om je stap te richten,lichten,verplichten..., verder,verder steeds verder. Tegengangers ritmestorend, verdachte blikken, vreemde tredgangers. Hoevelopers, teengangers, op een loopje door de gang, STOP! Langzaam, gangzaam, ganggreen, gangsters. DAAR! Deuren met glasrem voor wolken, lucht, lucht, lucht oefzoef buiten, ademen, bedachtzaam... achtzaam... éénzaam. Eindelijk, langzaam.




Boerken staat te kijken hoe Knorpot sleurt en zeult met grote en zware dode takken die hij uit de kastanjeboom heeft gezaagd en Boerken zegt smalend tegen een van de ruiters die langs komt rijden: "Kijk, dit is wat men nu een wandelende tak noemt."

Knorpot klaagt en zaagt in zijn korte werkbroek en heeft een grote schram op zijn linkerbil en een blauwe plek zo groot als een appel en hij trekt zijn rechtervoet en hij vertelt Boerken hoe een tak verkeerd knapte en aan de stam bleef hangen en als een grote zware slinger tegen zijn been knalde en hem en de ladder onderuit sloeg en hoe hij ruim twee meter omlaag viel en zijn enkel dubbel plooide en hoe hij deze week ook al zijn ribben kneusde.

"Dan kun je lekker knorren toch" zegt Boerken en hij gaat het Donker Kot binnen waar het Stille Meisje zwijgt in duizend woorden en waar de Grijze Filosoof en de Dichter gebogen zitten over wijn en filosofische overpeinzingen en Boerken vraagt of wat hij gisteren voelde zo diep in zijn botten en lijf, of dat dat zijn ziel was.
Dichter kijkt op. "De ziel dat zijn verhalen die niemand vertelt of schrijft en enkel gehoord worden of gelezen. Het zijn woorden van stilte die je proeft zonder zintuigen," zegt Dichter en Filosoof zegt: " Waarom doet uw ziel dan zo'n zeer, Dichter." Dichter drinkt wijn en zwijgt en het Stille Meisje leest zijn ziel en weent zacht.

Buiten schreeuwt de kievit. De laatste mussen maken ruzie voor het slapengaan. Een ruiter rijdt in het kunstlicht. Knorpot raapt de laatste stukken dood hout en kijkt op en ziet hoe Venus en de Maan nu verder uit elkaar staan dan gisteren en korter bij het Zenith. Er klinkt muziek in de stallen.
De Grijze Filosoof komt erbij staan met een glas wijn in de hand en zegt: "Leonard Cohen zdringkt een liedeke." Knorpot kijkt op. "Neen", zegt Filosoof,"Ik heb geen dikke tong. Zdringkt."

Leonard Cohen zdringkt een liedeke.

Boerken staat te kijken hoe Knorpot sleurt en zeult met grote en zware dode takken die hij uit de kastanjeboom heeft gezaagd en Boerken zegt smalend tegen een van de ruiters die langs komt rijden: "Kijk, dit is wat men nu een wandelende tak noemt."

Knorpot klaagt en zaagt in zijn korte werkbroek en heeft een grote schram op zijn linkerbil en een blauwe plek zo groot als een appel en hij trekt zijn rechtervoet en hij vertelt Boerken hoe een tak verkeerd knapte en aan de stam bleef hangen en als een grote zware slinger tegen zijn been knalde en hem en de ladder onderuit sloeg en hoe hij ruim twee meter omlaag viel en zijn enkel dubbel plooide en hoe hij deze week ook al zijn ribben kneusde.

"Dan kun je lekker knorren toch" zegt Boerken en hij gaat het Donker Kot binnen waar het Stille Meisje zwijgt in duizend woorden en waar de Grijze Filosoof en de Dichter gebogen zitten over wijn en filosofische overpeinzingen en Boerken vraagt of wat hij gisteren voelde zo diep in zijn botten en lijf, of dat dat zijn ziel was.
Dichter kijkt op. "De ziel dat zijn verhalen die niemand vertelt of schrijft en enkel gehoord worden of gelezen. Het zijn woorden van stilte die je proeft zonder zintuigen," zegt Dichter en Filosoof zegt: " Waarom doet uw ziel dan zo'n zeer, Dichter." Dichter drinkt wijn en zwijgt en het Stille Meisje leest zijn ziel en weent zacht.

Buiten schreeuwt de kievit. De laatste mussen maken ruzie voor het slapengaan. Een ruiter rijdt in het kunstlicht. Knorpot raapt de laatste stukken dood hout en kijkt op en ziet hoe Venus en de Maan nu verder uit elkaar staan dan gisteren en korter bij het Zenith. Er klinkt muziek in de stallen.
De Grijze Filosoof komt erbij staan met een glas wijn in de hand en zegt: "Leonard Cohen zdringkt een liedeke." Knorpot kijkt op. "Neen", zegt Filosoof,"Ik heb geen dikke tong. Zdringkt."