Posts tonen met het label De steen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De steen. Alle posts tonen

vrijdag 16 september 2011

De schrijver is mild vandaag

De Dichter en de Gladde Zakenman rijden weg uit de haven en onderweg
rijden ze een tractor voorbij die gevaarlijk traag het binnenland in
rijdt en geen van hen herkent de ander, beslist de Grote Schrijver,
omdat Boerken kwaad is omdat de Oude Knorpot woest is omdat Boerken
naar huis wil vandaag en omdat het Stille Meisje niet mee reist maar
daar in de duinen is gebleven en de Gladde Zakenman is in gedachten
bij die gladde kerel die vanochtend bij de haven stiekem zijn
gezelschap fotografeerde omdat hij weet dat dat onheil veroorzaken kan
en hij dat zelf heeft meegemaakt en dat ligt als een steen op de maag
en de Droeve Dichter wikt en weegt de woorden die hij schrijven wil
later en hij denkt over de waarheid en de leugen zoals de zakenman hem
geleerd heeft en wat dat betekent voor zijn leven en hij denkt over
vertrouwen en dat dat nooit meer hetzelfde zal zijn nu, of misschien
wel. En daarom herkennen ze elkaar niet en rijden elkaar voorbij de
enen naar de kust rijdend en de anderen naar het binnenland tuffend.

Bij de zee is het meisje gebleven. Ze wandelt alleen over het lege
strand en schrijft woorden met een stok in het zand bij de duinen. Ze
schrijft woorden voor de Stille Dichter want ze mist hem.

De Grote Schrijver is in een goede bui en laat haar verder wandelen
tot bij de witte huizen langs het strand en daar gaat ze een muntthee
drinken en nipt pas een eerste keer van haar hete thee als de Gladde
Zakenman en de Droeve Dichter er ook binnenkomen en de Gladde Zakenman
herkent haar meteen en de Droeve Dichter voelt zich ongemakkelijk in
zijn pak met gekamde haren en geschoren kaken en kin en ze bij haar
aan de tafel zitten en de Gladde Zakenman voert het hoge woord en de
Dichter en het Meisje kijken elkaar in de ogen en maken er lange
tochten langs lege stranden.

donderdag 15 september 2011

Tot u spreekt de schrijver

En nu vraag je je af, als lezer, of ze ooit nog samen komen, de Droeve
Dichter die de Grote Schrijver nu de Dolende noemt, de Oude Knorpot,
Boerken, de Gladde Zakenman en het Stille Meisje en de Grote Schrijver
zegt 'Ja. Meerdere keren zelfs. En de Droeve Dichter zal ze allemaal
meesleuren in zijn wervelwinderigbestaan, met het Wilde Kind in zijn
geest en de ziel die hij verkocht heeft en het misbruiken van zijn
authenticiteit en de kracht van zijn gespeelde onschuld en de macht
van het woord. Allemaal gaan ze kapot en ten onder. Hij maakt Boerken
triest en depressief en de Oude Knorpot verzuurt zo erg dat hij met
alles en iedereen en de hele wereld ruzie maakt en de Gladde Zakenman
zal hij beliegen en bedriegen en oplichten en hij zal hem recht in de
ogen kijken en onschuldig pleiten en hem vierkant uitlachen en hij zal
het Stille Meisje vergeten tot ze niet meer bestaat en daarna reist
hij en bindt hij mensen en charmeert ze en laat ze daarna achter als
rottende vruchten die hij niet geplukt heeft want er zijn bomen genoeg
in het dorp van de wereld.'

Boerken neemt een besluit

Boerken zit in een lage stoel bijna tot in het strandzand in de
duinenpan uit de wind in zijn bloot bovenlijf en hij vangt de zon als
was hij een zonnepaneel dat zo nodig energie nodig heeft. Verderop
ruist ononderbroken de zee in haar onrustig heen en weer bewegen van
eb en vloed, beukend op het strand en het zand wegbijtend met elke
golfslag.  Boerken houdt niet van de zee en verlangt weer naar polder
diep in het land, geborgen in de schaduw van de hoge dijken langs de
trage stroom.
Op het strand wandelen het Stille Meisje en de Oude Knorpot en Boerken
kan zien hoe ze druk babbelen. Hij bedenkt hoe stil het meisje was als
ze in de polders verscheen, hoe bleek ze was en ondiep en grauwig en
hoe ze niets zei en als ze wat zei klonk het als het ruisen van de
populieren. Hij bedenkt hoe uitbundig en luid ze was in Doel bij het
eten en drinken en het kampvuur en bij het dansen en feesten en
plezier maken met haar vele vrienden. Hoe ze koningin was van de bende
en genoot van de aandacht. Hij bedenkt hoe daadkrachtig ze hen hier in
de diepe duin heeft gebracht en er hen er laten stranden heeft. Hoe ze
zijn nek beroerde en hoe haar adem zijn oor streelde. Hoe ze nu al
dagenlang met Knorpot praat, de een lachend en klaterend de ander
grommend en dof.
Boerken bedenkt dat ze naar zee kwamen om Haar te vinden en weet nu
dat ze Haar nooit zullen vinden omdat ze niet te vinden is. Ze is als
de wolken. Die ontstaan en verdwijnen. Hebben een verschijning die
altijd anders is en wijzigend. Een wolk kan je niet vangen. Een wolk
kan je niet grijpen. "Het is een Wolkenmeisje", mompelt Boerken en
meteen bedenkt hij dat dit echt wel iets is voor de Droeve Dichter.

Over de Droeve Dichter zegt het meisje niets. Ze vraagt niet naar hem
of naar zijn woorden en verhalen en ze wordt niet stil of ingetogen
als de Oude Knorpot over hem vertelt.

In de duinpan staat Boerken op en begint de takken en bladeren en de
zeilen rond de tractor en de kar weg te halen langzaam.

"Morgenvroeg gaan we rijden", zegt hij tegen het Meisje en Knorpot als
ze op de top van de duin aankomen, "ik weet dat we hier nog geen week
zijn, maar mij steekt het tegen. De zee. Het strand. De duinen. Dat
geraas. Die wind. Dat zand overal. Jullie gefluister en loos getater
en gezever. We zijn hier gekomen om onzen dichter te helpen, maar de
enige twee die hier opfleuren als bloemen na het gieten zijt gij twee
en aan den Triestigen Dichter denkt ge niet en zegt nu niet jawel,
want ik weet beter. En daarom vertrek ik morgen want het is mijn
tractor."'
Het wordt noen en de Gladde Zakenman en de Dolende Dichter eten samen
en de zakenman zegt dat de Dichter een ontwapenende eerlijkheid heeft
die hem ver gaat brengen in het zakendoen omdat mensen voelen dat die
echt is en authentiek en omdat mensen daarvan houden, ook zakenmensen.

"Ik ga je niet leren liegen, dichterke, maar ge moet wel leren de
waarheid te negeren als dat nodig is. Ik ga je de echte kracht van het woord leren en niet de kracht van woordjes in lieve tekstjes, maar de echte kracht.

Ik ga je leren de waarheid te negeren. En dat kan je alleen door ze
kei- en keihard en glas- en glashard te ontkennen. Je kijkt mensen
recht in de ogen en zegt heel overtuigend dat het niet waar is.

Helpt altijd! Want mensen moeten dan ineens gaan beweren dat je een
gepantenteerde leugenaar bent en dat doen ze niet. Neem dat van me aan.
Gewoon ont-kennen. Mensen mogen de bewijzen zien en voelen en horen en
toch kan je alles met een simpel en overtuigend "Neen, niet waar"
wegvegen. Ge-wel-dig! Dat, dichterke , is de echte kracht van het Woord!"

Dichter kijkt de Gladde Zakenman aan en vraagt hem of hij de Zakenman
dan nog geloven kan. "Gisteren vroeg ik je of je het Stille Meisje nog
gesproken had en je keek me aan en zei heel overtuigend 'Neen'. En
toen ik je vroeg waarom je dan zoveel van haar wist, zei je dat je
daarover niet praten wilde, want dat 'Neen Neen is'. En ik weet dat je
al eerder tegen me gelogen hebt."

De Gladde Zakenman grijnst en zegt dat dat geen leugens waren, maar het
verdraaien van de werkelijkheid om de Dromerige Dichter te sparen,
"Want je bent zo'n watje soms", en dat het bij die paar keer is
gebleven en dat de Dichter dat maar moet geloven en de dichter trekt
de schouders op en zegt dat hij niet anders kan zeker en ze eten
verder en drinken dure wijn en de Gladde Zakenman spreekt over verre
reizen en dikke deals en vliegreizen in onweders en bestolen worden in
Oosterse steden en de Dolende Dichter luistert en weet niet langer wat
waar is en wat niet en weet dat dat er niet langer toe doet.


De waarheid bestaat niet en heeft nooit bestaan. Of iets waar of of niet,
denkt hij, wordt bepaald door twee woorden: 'ja' or 'neen'. En geloven
of niet geloven.

En de Gladde Zakenman, die een extra zintuig heeft na zoveel jaren,
zegt: " Vertrouwen, dichterke, is enkel en alleen niet perse de
waarheid willen kennen. Knoopt dat goed in uw kop. Heel goed. Als je
wil leven en overleven, is het dat en dat alleen. Vertrouwen is bewust
blind en doof zijn. En gevoelloos dus ook."


De Dolende Dichter eet zwijgend verder en vraagt zich af of hij dat kan en wil. En hij bedenkt ook dat hij cynisch wordt als de Oude Knorpot omdat hij het best wel grappig vindt dat de Gladde Zakenman een filosoof is en een woordkunstenaar.

Ochtend in de haven

De Gladde Zakenman en de Dichter zitten al vroeg in de lobby van een
hotel in een kuststad  en drinken espresso  en de Gladde Zakenman
wijst naar een tafereel in de jachthaven. "Zie je?" zegt de zakenman,
"Hoe die kerel daar stiekem foto's neemt met zijn smartphone van de
anderen, die dat niet beseffen?" Hij kijkt rond in de lobby en wijst
en wijst.
"Daar en daar en daar: camera's. En ik heb vandaag ook al een paar
foto's van je genomen. Wist je dat? Je denkt dat je onzichtbaar door
het leven kunt glippen en je eigen verhaal kunt maken, om wat voor
reden ook, maar dat kan je dus niet. Je maakt je eigen verhaal omdat
het mooier is of prettiger of omdat je een ander wilt sparen haha. Wat
denk je? Dat die kerel daar buiten die foto's voor zich gaat houden?
Misschien. Misschien ook niet. Misschien deelt hij ze wel met een
vriend. Die die weer een keer stuurt aan een ander die die weer gewoon
op het net zwiert. Ik las laatst een mooie op Twitter, mijn Droeve
Vriend, en die zei 'Al loopt de waarheid nog zo snel, Twitter,
Facebook of Hyves achterhaald hem wel' en zo is het."

"Soms spaar je mensen door iets niet te delen en als ze er dan toch
deelgenoot van worden,  kwets je hen dubbel met terugwerkende kracht?
Bedoel je dat?" zegt De Droeve Dichter.

De Gladde Zakenman haalt de schouders op. "Jij met je kwetsen en
droevigheid, dichterke. Dat interesseert me niet. Ik wil je alleen
voorzichtig maken. De mensen die daarnet stiekem gefotografeerd zijn,
zijn hier misschien niet en willen dat graag zo houden voor anderen.
Of willen niet dat iemand weet hoeveel lol ze hier wel hebben. Hou er
rekening mee. Dat is alles."

Ze nippen van hun espresso en dichter bekijkt het tafereel buiten en
de late ochtendzon priemt door de hoge ramen naar binnen. De Droeve Dichter denkt aan het Stille Meisje.

woensdag 14 september 2011

Een Oude Knorpot filosofeert een steen.

"Wat doet een mens zo bij het vuur 's avonds met goed eten en een
glaske wijn en nog niet zat genoeg om te broebelen? Juist:
filosoferen. En dat gaat ik eens doen zie.
Laat ik beginnen bij de keuze of een mens het harnas van het cynisme
moet dragen of niet. Dat is geen keuze. Als ge het draagt weet ge dat
het pijn doet maar voelt ge het niet en als ge het niet draagt kan het
serieus zeer gaan doen. Maar als ge het harnas draagt kent ge het
verschil niet meer tussen pijn en geen-pijn en is alles gelijk en
zwart en gallig. En als ge geen harnas draagt weet ge ook hoe het is
zonder pijn. Al waren er momenten in mijn leven met weinig pijnloze
momenten zo in de eerste jaren zonder harnas en daarom draag ik het
terug. Het is geen keuze eigenlijk.
Iemand zoals gij, Meiske, vroeg me het harnas af te leggen omdat ik
een schoon mens was onder dat harnas maar ik vraag me af of ik een
schoon mens bleef eens ik altijd maar pijn had en jankte en kermde. Ge
hebt vandaag zelf gezegd, Stil Luidruchtig Meiske van de Zee, dat ge
het gejank van de dichter niet aanhoren kunt voor langer dan de paar
uur dat het lief is en gevoelig en misschien zelfs uzelf helpt, maar
daarna zuigt het aan uw lijf en uw geest en uw energie en gaat ge
liever de wijde wereld in. En met het harnas om wilt ge de zachte mens
eronder ontdekken en hem zijn harnas laten afleggen. Lastig. Zowel
voor hem als voor u, maar ik had het niet over u want ik ken u niet,
Meiske. Kent iemand u eigenlijk?
En dan is er de herinnering. De memorie. Elke steek, elke sneer, elke
pijl die u treft en raakt en in uw snijdt en kerft en ontsteekt, kunt
ge u herinneren en omdat dat niet te harden is gaat ge vergeten, gaat
ge de pijn wegsteken diep in uw lijf ergens waar dat ge het vergeet,
hoopt ge. Maar dat lukt maar niet want het noodlot schijnt in cirkels
te komen en te handelen en zo botst ge voortdurend met uwe stomme kop
tegen de resten die het verleden heeft achter gelaten en omdat alles
in cirkelkes gaat botst ge er tegen vroeg of laat en voelt de ge pijn
terug. Ge vergeet iets of wilt het vergeten door er niet aan te denken en
ineens toont er u iemand foto's, in alle onschuld, of iets anders, of
vertelt u iets,  waar precies op staat of wat precies vertelt wat ge u
nog niet eens had willen voorstellen en zeker niet had willen zien of
horen en dan denkt ge ok, niet zo erg en dan wandelt ge den hoek om en
botst ge per malheur op iemand die op diene foto staat of die in dat
verhaalke zit die of dat ge vergeten wou en ge vloekt en jankt en
trekt uw harnas aan en ge wordt koud en kil en sarcastisch en knorrig
en oud.
Neen, Meiske, gij zijt vrij en vrolijk en daarom sterk en gij hebt
daar geen last van en gij Boerken, hebt alleen last van uwe rug soms
en heel soms van een jeneverkater, maar meestal hebt ge nergens last
van. En nu ga ik een Duvel drinken en daarna ga ik eens goed slapen
zie en efkes mijn sarcastisch bijtend harnas uitdoen want tegen de
demonen in mijn dromen helpt niks."
Boerken stookt in het vuur en het Uitbundige Meisje zwijgt en wou dat
ze iets zeggen kon dat helpen zou.

En Knorpot, die wel voelt dat hij door het donker en het vuur en de zee en de duinen en de rode wijn flink overdreven heeft, probeert nu te lachen en te grappen en het Meisje tracht te helpen, maar het lukt hen niet en ze gaan alledrie slapen met een steen op de maag onder de volle maan bij de zee.

maandag 14 februari 2011

Over God, die onnozelaar en dolende zielen en rode wijn

De Droeve Dichter schrijft hakerige letters en woorden met zwarte inkt:

'Schrijvend deze keer, over mijn onrust die soms wijkt maar nooit voor lang en die ik niet duiden kan.

Die zich niet laat vatten en die zich niet laat strikken in het strop van woorden.

Ik weet niet waar ze vandaan komt. Ze sluipt door mijn geest als een hongerige wolf op zoek naar eten en ze giert door mijn lijf als een sneeuwstorm door de stegen van de stad. Ergens fluistert een stem die ik niet ken me onheil in het oor in een taal die ik niet begrijp.


Ik herken dit gevoel niet en hou er niet van. Het is er. Het mokert me keihard in de maag. Ik plooi dubbel en snak naar adem. Het mept me op mijn bakkes en ik zwijmel. Het schopt me vol in de kloten.

Waar komt het vandaan? Hoe verlos ik mezelf? Als er een God is, mag hij nu ophouden me zo te pesten. Onnozelaar.

Maar is geen God. Alleen ik. In het diepst van mijn gedachten. Straks schenk ik me rode wijn en verdoof mijn dolende ziel. Of drink thee. Om geen wijn te drinken. Hoe lekker ook, want drinken om te verdoven is niet verstandig, heb ik geleerd.

Ik passeer de tunnel onder de trage Schelde. Oranje licht. De nacht wacht, aan de andere zijde. Straks steek ik de stroom nog eens over. De onrust zal niet wijken.'