De geur van de metro bijt zich vast in mijn neus. Het is een stank die ik met niets vergelijken kan, maar vreemd genoeg komen warme wafels nog het dichtste in de buurt en daarom lust ik niet zo graag warme wafels. Ze doen me kokhalzend denken aan stinkende metrostations.
Vanuit de roosters in de weg slaat de walm me in het gelaat. Warme wafels, denk ik.
Het is zonnig. Een scherpe Oostenwind snijdt doorheen mijn dunne kleding en ik kan me niet warmen. De zon is nog te zwak rond deze tijd van het jaar en de wind vanuit het Oosten te ijzig. Ik stap stevig door, de handen die in de zakken, de kraag hoog en de kop diep tussen de schouders. Onder mij stinkt de metro. Ik hoor en voel het gerommel in de buik van de stad.
In het stadion dat kleur heeft gekregen van roest en olie en vet wacht ik op de trein. Ik bibber. De stank van treinstations is anders: olie en vetten. Een metalen stem schalt namen van steden en tijden van aankomst en veranderende sporen door de krakende en schelle luidsprekers. Ik tracht te luisteren. Op de borden ratelen de bordjes. Ik ben pas terug uit verre landen en heb last om dag en nacht te onderscheiden. Ik ben moe. Ik heb honger en kou. De trein neemt me mee van Amsterdam naar Antwerpen.
In het raam zie ik mezelf, weggedoken. Bleek. Met donkere oogkassen en scherpe contouren om mijn mond. Op de achtergrond schuift de achtergrond voorbij. Ik wil slapen.
De tergend langzaam meanderende levens van Droeve Dichter, Boerken, Oude Knorpot, Gladde Zakeman, Stil Meisje, Grijze Filosoof, Buurmans en de Trage Stroom.
maandag 7 maart 2011
zondag 6 maart 2011
Over toen de dieren nog spraken en over vrouwmensen en koebeesten
In die tijden waren de regens overvloedig en de zomers droog als de Sahara, en de dieren spraken weinig, want ze spraken alleen over die zaken waarover ze wat zinnigs wisten te vertellen en dat beperkt de gesprekken nogal drastisch. Alleen het mensendier sprak overvloedig en had overal een mening over en dat maakte de soort behoorlijk irritant.
In de taal van het platteland bij de noordelijke zee spreken de mensen van koebeesten en vrouwmensen en mansmensen en erkennen daarmee de diersoort mens. Klein en kromgewerkt zijn ze, en de kleur van hun vel is bronzig van het buitenleven en hun huid is als soepel leer en geplooid rond ogen en mond. Ze roken sepiakleurige sigaretten in de hoek van hun mond en ze spreken een taal die eeuwenoud is en verdwijnen zal als zijn sterven weet ik. De laatste Vlaamse boeren brengen me hooi in kreupele wagens getrokken door oude tractoren van het merk Porche. Ze helpen me het hooi lossen en stapelen in de hooischuur. Ze hebben me leren stapelen en ik ben niet een van hen geworden, maar ik mag wel meebabbelen. We laten veel stiltes. Dan turen we over de velden. Of kijken naar de tekenen in de hemel. Zal het regenen? Wordt het hooi? Of voordroog?
We schimpen op modernisme en het verdwijnen van de laatste boer. We schelden op burocratie en de onwetendheid van de administratie en het beleid. We praten over eerste snee en tweede snee. We klagen op de natte lentes en de droge zomers en het gebrek aan landerijen. We vloeken samen op ecologische bermen die vooral dienen om vreemde en/of schier onuitroeibare planten ongestoord te laten oprukken, die de akkers overwoekeren, de weides vergiftigen en de kwaliteit van het graasland en de hooiweides aantasten als een woekerende kanker.
We drinken koffie en bier uit het flesje.
Ze hebben me hooibalen leren stapelen. Eerst waren mijn bouwsels krom en schots en scheef en wankel. Nu zijn ze stevig en recht. Tenminste, bijna.
Ze zoeken een tractor voor me. Ze reserveren hun beste hooi en stro. Ik heb meer dan respect gekregen voor hen. Een land dat zijn boeren doodt, doodt zichzelf. We leven in een stad zonder koeien. We leven in een stad zonder hooiweides.
We ontnemen de boer zijn laatste stukje land en zo doden we hem, niet eens langzaam of pijnloos. We doden de boer bewust en meedogenloos. We grijnzen. We zijn klootzakken.
Ik heb geen boerenbloed. Mijn voorvaderen boerden niet. Ze wroetten in moestuinen. Ze werkten zich kreupel als dagloner.
Ik heb geen boerenbloed. Vandaag heb ik een hele dag gewerkt op mijn beetje land. Ik heb palen in de grond geramd met een zware hamer, ik heb draden gespannen, poorten geplaatst. De zon scheen, maar op de weides in de open vlakte van 't Hoogveld voelde het bitter koud. Mijn onderrug, mijn schouders, mijn armen, mijn nek en mijn handen en vingers janken van de inspanningen. Mijn broze is moe. Morgen sta ik op, stram en stijf als een oude man. Ik ben af en toe boer, in het diepst van mijn gedachten. Mijn lijf echter, maakt mijn afkomst duidelijk: ik ben geen boer.
En toch zal ik volharden.
Op een dag spraken de dieren helemaal niet meer. De mensensoort echter, bleef maar praten. De mensdieren hadden een mening over alles, ook als wisten ze niet waarom.
In de taal van het platteland bij de noordelijke zee spreken de mensen van koebeesten en vrouwmensen en mansmensen en erkennen daarmee de diersoort mens. Klein en kromgewerkt zijn ze, en de kleur van hun vel is bronzig van het buitenleven en hun huid is als soepel leer en geplooid rond ogen en mond. Ze roken sepiakleurige sigaretten in de hoek van hun mond en ze spreken een taal die eeuwenoud is en verdwijnen zal als zijn sterven weet ik. De laatste Vlaamse boeren brengen me hooi in kreupele wagens getrokken door oude tractoren van het merk Porche. Ze helpen me het hooi lossen en stapelen in de hooischuur. Ze hebben me leren stapelen en ik ben niet een van hen geworden, maar ik mag wel meebabbelen. We laten veel stiltes. Dan turen we over de velden. Of kijken naar de tekenen in de hemel. Zal het regenen? Wordt het hooi? Of voordroog?
We schimpen op modernisme en het verdwijnen van de laatste boer. We schelden op burocratie en de onwetendheid van de administratie en het beleid. We praten over eerste snee en tweede snee. We klagen op de natte lentes en de droge zomers en het gebrek aan landerijen. We vloeken samen op ecologische bermen die vooral dienen om vreemde en/of schier onuitroeibare planten ongestoord te laten oprukken, die de akkers overwoekeren, de weides vergiftigen en de kwaliteit van het graasland en de hooiweides aantasten als een woekerende kanker.
We drinken koffie en bier uit het flesje.
Ze hebben me hooibalen leren stapelen. Eerst waren mijn bouwsels krom en schots en scheef en wankel. Nu zijn ze stevig en recht. Tenminste, bijna.
Ze zoeken een tractor voor me. Ze reserveren hun beste hooi en stro. Ik heb meer dan respect gekregen voor hen. Een land dat zijn boeren doodt, doodt zichzelf. We leven in een stad zonder koeien. We leven in een stad zonder hooiweides.
We ontnemen de boer zijn laatste stukje land en zo doden we hem, niet eens langzaam of pijnloos. We doden de boer bewust en meedogenloos. We grijnzen. We zijn klootzakken.
Ik heb geen boerenbloed. Mijn voorvaderen boerden niet. Ze wroetten in moestuinen. Ze werkten zich kreupel als dagloner.
Ik heb geen boerenbloed. Vandaag heb ik een hele dag gewerkt op mijn beetje land. Ik heb palen in de grond geramd met een zware hamer, ik heb draden gespannen, poorten geplaatst. De zon scheen, maar op de weides in de open vlakte van 't Hoogveld voelde het bitter koud. Mijn onderrug, mijn schouders, mijn armen, mijn nek en mijn handen en vingers janken van de inspanningen. Mijn broze is moe. Morgen sta ik op, stram en stijf als een oude man. Ik ben af en toe boer, in het diepst van mijn gedachten. Mijn lijf echter, maakt mijn afkomst duidelijk: ik ben geen boer.
En toch zal ik volharden.
Op een dag spraken de dieren helemaal niet meer. De mensensoort echter, bleef maar praten. De mensdieren hadden een mening over alles, ook als wisten ze niet waarom.
Belgium to set an ever lasting world record
Onozele journalistiek. De dag dat wij, fiere Belgen die niet meer bestaan, want we zijn of Vlamingen, of Walen, of Brusselaars of iets dergelijks, het fameuze wereldrecord regeringsvorming breken, schreeuwen ze moord en brand en schrijven kranten en lullen journaals vol. Niet eens relavant, want het is een leugen. We hebben dat record helemaal niet gebroken, beste mensen. De heren en dames onderhandelaars, leeghoofdige zelfingenomen navelstaarders die de basistechnieken van het onderhandelen nooit zullen beheersen, omdat ze daarvoor de verstandelijke vermogens ontberen en vooral het empatisch vermogen dat daarvoor een vereiste is, zijn nooit begonnen met het onderhandelen over een regering die dit land, dat er blijkbaar geen is, moet regeren. De heren en dames doen alsof. Op een bijzonder onhandige manier.
En ondertussen kabbelen de gesprekjes verder. Een na een worden belangrijke mannen met nieuwbakken titels bedacht door de koning zonder macht van een land dat er geen is en die mannen gaan dan doen alsof ze gesprekken hebben met die andere mannen. En ze leggen diezelfde argumenten telkens weer opnieuw op tafel. Loops.
Geef een aap een pc. De kans dat het dier een roman schrijft is groter dan dat de heren politici alsook de dames op deze wijze tot een regering komen. De situatie is een zonder enig perspectief.
Ondertussen heeft de aap een geweldige openingszin klaar: "Water en boomstronken draaien rond elkander en de zon is groen vandaag". De aap eet paddestoelen.
Ondertussen zetten we met de dag het record hoger en hoger en scherper en scherper. Geen enkel land waar ook ter wereld en wanneer ook in de geschiedenis van de mensheid en haar schepselen en beschavingen, zal ooit nog in de buurt komen van ons Heilige Wereldrecord.
Als de Belgen wat doen, doen ze het grondig. Alleen jammer dat ze niet bestaan, die Belgen.
Moraal van dit verhaal: geen, zoals gewoonlijk.
En ondertussen kabbelen de gesprekjes verder. Een na een worden belangrijke mannen met nieuwbakken titels bedacht door de koning zonder macht van een land dat er geen is en die mannen gaan dan doen alsof ze gesprekken hebben met die andere mannen. En ze leggen diezelfde argumenten telkens weer opnieuw op tafel. Loops.
Geef een aap een pc. De kans dat het dier een roman schrijft is groter dan dat de heren politici alsook de dames op deze wijze tot een regering komen. De situatie is een zonder enig perspectief.
Ondertussen heeft de aap een geweldige openingszin klaar: "Water en boomstronken draaien rond elkander en de zon is groen vandaag". De aap eet paddestoelen.
Ondertussen zetten we met de dag het record hoger en hoger en scherper en scherper. Geen enkel land waar ook ter wereld en wanneer ook in de geschiedenis van de mensheid en haar schepselen en beschavingen, zal ooit nog in de buurt komen van ons Heilige Wereldrecord.
Als de Belgen wat doen, doen ze het grondig. Alleen jammer dat ze niet bestaan, die Belgen.
Moraal van dit verhaal: geen, zoals gewoonlijk.
Spinoza, Ferrari, koe, slak en doelwachter
De voetballer trapt de bal richting doel en de doelwachter leest Spinoza en vergeet de bal te pakken die dan maar het doel in rolt, langzaam, zoals een slak die de straat oversteekt. Het asfalt is warm en kleverig en de slak raakt amper vooruit. Een rode Ferrari komt aangesnelt met dt fout. Aan het stuur een moddervette kettingrokend oplichter die een beroerte krijgt, de weg af glijdt en tegen een boom tot stilstand komt met een onwereldse knal die lijkt op denoerknal waarmee het allemaal begon, al weten de slak en Spinoza daar niets van, en de doelwachter evenmin. De voetballer antwoordt: was dat geen keiharde oerknal of wat? De voetballer heeft dan ook geen hersens, iets wat hem dan weer laat lijken op de slak, die aan een gewisse dood ontsnapt is, in tegenstelling tot de ex beursgoeroe in zijn Ferrari. Een rode Ferrari, zoals het hoort. Want sommige combinaties zijn zekerheden, of zouden dat moeten zijn. De slak is ondertussen nog steeds onderweg en is slechts een paar centimeter van de graskant aan de overzijde verwijdert. In de verte loeien sirenes. Diezelfde sirenes lokten Spinoza toen die de oceanen overstak op zoek naar verre continenten die nog ontdekt moesten worden, terwijl Columbus thuis gebogen over een manuscript heel ingewikkelde wereldbeelden neerschreef, want zij hadden besloten om elkaars leven te leiden. De doelwachter glimlacht want hij wist niet dat Spinoza de zeven zeeën heeft bevaren. Op een dag ontdekte hij in een krottenwijk van het verre Rio de Janeiro, genoemd naar de Spaanse incontente veroveraar Janeiro een vreemde groene plant die gekookt kon worden en ijzer bevat en sterk maakt en die hij naar zichzelf noemde. Als de slak spinazie had gegeten was ze nu reeds de straat over. In de rode Ferrari tegen de boom ligt een ouwe dikke man zielig dood te zijn tegen zijn stuur. In de boom kwetteren mussen. Het is een zonnige dag vandaag. In de voetbalwedstrijd is het ondertusseb 3-0, want de doelman van de ene partij kan zich niet losmaken uit zijn waanzinnig intrigerende boek van Spinoza. Vanaf de tribunes kan je de titel niet lezen: 'Spannende avonturen van een wereldreiziger en de ontdekking van de spinazie en de aardappel'. Spinoza heeftvde aardappel niet ontdekt, maar Frederico Papatas was vergeten een patent te nemen en dat had Walter Spinoza goed begrepen. De slak bereikt de graskant, alwaar een koe staat te grazen en Walter de slak, want ze is een naamgenoot van Spinoza en bij slakken is Walter en veel voorkomende meisjesnaam, stomweg vertrappelt onder de hoeven en ruim 500 kilo vlees en melkproductie. De koe denkt niets want koeien denken niet. Koeien vreten gras, herkauwen gras, schijten zich te pletter en produceren op korte termijn melk en op langere termijn biefstuk. De frieten echter, die wij er in Vlaanderen graag bij eten, zijn geen product van de koe en evenmin van Walter Spinoza, die allang dood is, net zoals de dikke vette ex politicus en Walter de slak die aan de hoef van een stomme koe kleeft, huisje incluis. Zo zie je maar dat het onzin is dat de slak dat huis opnde rug draagt als bescherming. Dat leest de doelwachter niet in dat spannende boek, want zo verstandig was die Spinoza ook niet en zeker niet alwetend. Dat is alleen de schrijver, die afzijdig leek te blijven, maar die de Schepper is van de gebeurtenissen en het nu laat donker worden met wolken en het laat regenen alsof het de zondvloed was.
De wedstrijd eindigt op 5-0 en de doelwachter leest de hele nacht door. In een boom langs de kant van de weg zingt een late merel, in de striemende regen. De boom zal sterven deze zomer, geschonden en geknakt door een rode Ferrari.
De wedstrijd eindigt op 5-0 en de doelwachter leest de hele nacht door. In een boom langs de kant van de weg zingt een late merel, in de striemende regen. De boom zal sterven deze zomer, geschonden en geknakt door een rode Ferrari.
De wever die niet weven kan
Weven is een mooie activiteit. Met langse en dwarse draden, die lijnrecht elkaar kruisen en die zo mooi schering en inslag genoemd worden, bouwt de wever, een eerbaar en eeuwenoud ambacht, aan een hecht en onwrikbaar doek. Met roedes en een vernuftig op en neer bewegen van gekleurde draden, gebonden tussen schering en inslag in w en v bindingen, tekent de wever figuren en vormen. De wever is een Schepper. Of zou dat moeten zijn.
Als de wever enkel schering kent, en geen inslag erkent of wil gebruiken om het gronddoek te maken, zal hij nooit tekeningen maken of vormen. Hij zal blijven zitten met stomme langse draden die tot niets dienen.
Enige analogie is louter toeval.
Als de wever enkel schering kent, en geen inslag erkent of wil gebruiken om het gronddoek te maken, zal hij nooit tekeningen maken of vormen. Hij zal blijven zitten met stomme langse draden die tot niets dienen.
Enige analogie is louter toeval.
vrijdag 4 maart 2011
De winter van 63
Je groeit op tot de 18de of 20ste of iets in die buurt, en in die eerste jaren groeien geest en lichaam in harmonie. Het beeld en aanvoelen dat je van jezelf hebt, ben je zelf. Zo hoort het ook, denk je, en je neemt aan dat dat vanzelfsprekend is, en voor de eeuwigheid.
Daarna wordt de kloof onmerkbaar steeds groter. Je blijft die priller twintiger, in het diepst van je gedachten, van je aanvoelen en je zelfbeeld, maar je zit opgesloten in een onstopbaar verouderend lijf, dat strammer wordt, en trager, en minder strak en lenig en minder veerkrachtig en af en toe zeurderig en onwillig.
Je kijkt in de spiegel en denkt: godverdomme, die ouwe zak daar, dat ben ik dus. Het antwoord is ja, en je kijkt weg van de spiegel en meteen daarna ben je weer -in gedachten- jezelf: 20 of zoiets.
Het lichaam is onderweg naar de enige zekerheid in het leven na de conceptie en de geboorte. Je geest weigert dat te aanvaarden en dat is maar goed ook.
Ergens onderweg.
Het mooiste is de reis, niet het einddoel. En dat is met het leven in dat lijf zeer zeker het geval: de reis is het doel, niet het einddoel.
Het leven is dan ook een reis waar we geen einddoel aan wensen te geven. We reizen met het doel het einddoel nooit te bereiken, of liefst zo laat mogelijk en het is voor sommige mensen zelfs niet te vatten en verwerken dat dat einddoel een einde is. Die geloven graag dat het het het begin is van iets oneindigs, want onmetelijk en omdat het tegen alle logica ingaat, noemen ze dat geloven en schilderen ze de logische denkers die zuchten 'het einde is het eind, punt uit' af als ongelovigen.
Ik gun het hen. De klok tikt de minuten weg.
De winter van 63 was ongemeen koud.
Daarna wordt de kloof onmerkbaar steeds groter. Je blijft die priller twintiger, in het diepst van je gedachten, van je aanvoelen en je zelfbeeld, maar je zit opgesloten in een onstopbaar verouderend lijf, dat strammer wordt, en trager, en minder strak en lenig en minder veerkrachtig en af en toe zeurderig en onwillig.
Je kijkt in de spiegel en denkt: godverdomme, die ouwe zak daar, dat ben ik dus. Het antwoord is ja, en je kijkt weg van de spiegel en meteen daarna ben je weer -in gedachten- jezelf: 20 of zoiets.
Het lichaam is onderweg naar de enige zekerheid in het leven na de conceptie en de geboorte. Je geest weigert dat te aanvaarden en dat is maar goed ook.
Ergens onderweg.
Het mooiste is de reis, niet het einddoel. En dat is met het leven in dat lijf zeer zeker het geval: de reis is het doel, niet het einddoel.
Het leven is dan ook een reis waar we geen einddoel aan wensen te geven. We reizen met het doel het einddoel nooit te bereiken, of liefst zo laat mogelijk en het is voor sommige mensen zelfs niet te vatten en verwerken dat dat einddoel een einde is. Die geloven graag dat het het het begin is van iets oneindigs, want onmetelijk en omdat het tegen alle logica ingaat, noemen ze dat geloven en schilderen ze de logische denkers die zuchten 'het einde is het eind, punt uit' af als ongelovigen.
Ik gun het hen. De klok tikt de minuten weg.
De winter van 63 was ongemeen koud.
woensdag 2 maart 2011
Kinderen mogen met ballen spelen!
Rijdend naar het Verre Oosten vandaag, met de auto over de snelweg, zag ik de zon opkomen als een mooie roze oranje bol die moeizaam doorheen de dikke pap boven de horizon omhoog glijdt. In het Verre Oosten had het gevroren. De zon leek op een kleine bal die zo uit de lucht kon vallen, klaar voor een partijtje pleintjesvoetbal.
Can you take me to the bridge?
Ik las vandaag een fijn bericht van een gedreven journaliste. Zij wou de alle journaals vanavond zouden openen met 'woonverbod voor volwassenen rond speelpleinen voor kinderen'. Ik zou daar aan toe willen voegen, dat het kind de ouder is van de volwassene die het later zal worden en dat nogal wat van die zure buurtbewoners blijkbaar slechte ouders zijn geweest als kind. Misschien te weinig met de bal gespeeld. Moeten we dat niet een keer onderzoeken in 'ook getest op mensen': het verband tussen met de bal spelen als kind en zurigheid op volwassen leeftijd.
Het meeste ergeren me de plaatselijke politici die, uit angst kiezers te verliezen (kinderen stemmen niet) niet gewoon tegen die uit vieze azijn opgetrokken burgers te zeggen dat ze hun bek moeten houden en mogen oprotten.
Laten we de dag niet verpesten. De zon hangt steeds voller boven het Verre Oosten en het wordt een fijne dag.
Can you take me to the bridge?
Ik las vandaag een fijn bericht van een gedreven journaliste. Zij wou de alle journaals vanavond zouden openen met 'woonverbod voor volwassenen rond speelpleinen voor kinderen'. Ik zou daar aan toe willen voegen, dat het kind de ouder is van de volwassene die het later zal worden en dat nogal wat van die zure buurtbewoners blijkbaar slechte ouders zijn geweest als kind. Misschien te weinig met de bal gespeeld. Moeten we dat niet een keer onderzoeken in 'ook getest op mensen': het verband tussen met de bal spelen als kind en zurigheid op volwassen leeftijd.
Het meeste ergeren me de plaatselijke politici die, uit angst kiezers te verliezen (kinderen stemmen niet) niet gewoon tegen die uit vieze azijn opgetrokken burgers te zeggen dat ze hun bek moeten houden en mogen oprotten.
Laten we de dag niet verpesten. De zon hangt steeds voller boven het Verre Oosten en het wordt een fijne dag.
Abonneren op:
Posts (Atom)