Posts tonen met het label bedenksels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bedenksels. Alle posts tonen

dinsdag 12 juli 2011

Johnny Hoogerland op de spelconsole

Ik ga me heroriënteren. Misschien moet ik wel nieuwe games bedenken en die dan duur verkopen aan de Sony's en Nintendo's van deze wereld. Niet zo moeilijk. Je moet de televisie maar aanzetten en willekeurig zappen om het ene goede idee na het andere te zien. En ik kijk niet alleen, jammer genoeg. Eergisteren zag ik nog een mooie, die tot vervelens toe ook gisteren getoond is.

Een geweldig idee, met lekker veel potentiëel: wielrenners van de weg maaien. Achter het stuur van je auto moet je laveren tussen de renners door, op bochtige wegen vol bomen en bezaaid met bochten. Je tikt dan zo'n renner aan, lichtjes, tegen het voorwiel. De slo-mo's die dat oplevert zijn spec-ta-cu-lair! Ballet van katapulterende mensjes en losgeslagen armen en benen en plooiende fietsen en paaltjes en prikkeldraad.

zondag 29 mei 2011

Ruimtelijke wanorde in Vlaanderen

De Oude Knorpot zit aan de verweerde tafel, drinkt Duvel en zaagt.
'Het tegengestelde van orde is wanorde of chaos. Het tegengestelde van gezond is ongezond, of ziek. Het tegengestelde van verlicht is onverlicht, of donker. In dit stomme land dat geregeerd wordt een stel onbekwame bavianen, zou ruimtelijke ordening dan beter ruimtelijke wanorde moeten heten. Ruimtelijke ordening is in normale landen, dus niet in onze bananenrepubliek bij de noordelijke zee, een kwestie van gezond verstand. In vlaanderen is het een kwestie van ziek verstand. Ruimtelijke ordening is een kwesie van verlicht despotisme: het beleid laat zich verlichten en doet dan het beste voor de gemeenschap, zonder die daarin te kennen, omdat de materie te groots en ingewikkeld is voor de meeste burgers en het persoonlijke belang meestal ver overstijgt. In vlaanderen echter is er sprake van donker despotisme. Er is geen verlichting. In onze bananenrepubliek spreken we dus beter van ruimtelijke chaos.'

Niemand reageert en hij gaat door:

'In Nederland, zo valt me telkens op, rij je een dorp of stad uit. Je rijdt dan doorheen groene weides, polders, bossen, heide,... langs spaarzame wegen. En dan duikt aan de einder het silhouet op van een volgend dorp of een volgende stad. In Vlaanderen rij je geen dorp of stad uit zonder meteen pardoes een volgende binnen te vallen. Voor een argeloze buitenlander die met mij mee zou rijden vanuit Brussel, lijkt het dat mijn stadje D bij de Schelde, gewoon in Brussel ligt, en niet 30 km verder in een andere vallei. Ruimtelijke chaos

Weet je hoe dat komt? Eerst heb je een middelgrote gemeente. Met een dorpskern, een aantal plaatselijke bedrijven, garages, meubelzaken, ge kent dat wel. Met wat verderop boerderijen, landerijen en hier en daar wat bos en een verdwaalde villa. En er is een station, of een afrit op de snelweg, want elk dorp, hoe klein ook, moet ontsloten worden. Waarom, dat weten de plaatselijke politiekers niet. Ze hebben een mening, maar weten zelden waarom ze die hebben, net als hun kiesvee.
Die gemeentes zijn aantrekkelijk voor wie in de stad werkt, maar toch op zoek is naar wat groen en rust, en wie is dat niet, Boerken, wij zijn allemaal jaloers op uw leven.
En dus besluiten de onverlichte beleidsmakers om woonwijken te bouwen. Ze offeren landerijen op om die te verkavelen. Het kuddedier mens koopt kaveltjes waarop ze een woning poten, de ene naast de anderen op 6 meter van elkaar, zodat ze in de zomer elkaars barbeque kunnen ruiken en elkaars dronken grappen kunnen horen. Met een haag rond hun stukje grond, of houten muren, als onderwerp van stomme burenruzies. En de ene nieuwe verkaveling sluit zich naadloos aan op de andere. Tot bij de grenzen van de gemeente. En met de landerijen verdwijnen de boeren, op een aantal koppige doorzetters na, zoals gij Boerken.'

Boerken knikt en drinkt jenever en de Droeve Dichter schrijft in stilte.

'Omdat al die woonwijken op de duur op elkaar aansluiten, staan die garages en bedrijven en kleine fabriekjes ineens middenin de woonwijken en lijken ze hinderlijk en zonevreemd, en dus besluiten de donkere despoten die verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke chaos, dat het laatste restje groen ook weg moet, want dat moet industrieterrein worden. Ze vertellen de brave burger dat dat werkgelegenheid schept, wat nonsens is, maar de burger is allang tevreden dat hij twee auto's heeft en een tv en pretparken in de zomer, en drie keer per jaar op reis kan en elk weekend in de file naar de kust mag staan. De laatste velden verdwijnen, de koppige volhoudende boer wordt onteigend en op de nieuwe kale vlaktes komen de garages en viswinkels en meubelzaken en carwashes en transportbedrijven. Die waren er al, maar ingesloten door de oprukkende verkavelingskanker. Er werkt geen man meer, dus die werkgelegenheid is nonsens. En de laatste boerkens als gij, Boerken, worden doorgeknepen.'

De Gladde Zakenman is er bij komen zitten en hij drinkt mee van de jenever van Boerken en hij knikt ook en Boerken vindt hem steeds minder glad de laatste tijd.

'En de boeren? Die zijn weg. En het groen? Tsja. Daar winnen de politiekers geen stemmen mee zeker? En dan beginnen ze te zeveren over groene energie en elektrische auto's. Het is de nieuE hype. Het nieuwe grote geloof. Ze sussen er hun geweten mee.
Het allernieuwste om aan diezelfde onnadenkende burger te kunnen vertellen hoe milieubewust de donkere despoten zijn: de windmolen!'

De Gladde Zakznman hikt van het lachen en Boerken klopt hem op se schouder en de Oude Knorpot gaat door en door en door:

'En dan is de gemeente vol. Tot tegen de grenzen van de volgende overvolle gemeente, en weer een volgende. Elke ochtend en elke avond slibben die gemeentes dicht met duizenden auto's en in het weekend vluchten de mensen weg uit hun betonnen woestijn waaruit elk stukske groen is weg gesneden en waar elke boer vakkundig vermoord is, genadeloos en waar geen horizon meer is en geen ruimte en geen adem, en ze ontvluchten de drukte en zoeken die weinige groene plekken die nog resten of de uitkijk op een schier oneindige zee. En ze hokken er samen.
Wat ik me nog het meeste afvraag: als die beleidsmakende donkere despoten hun gemeentes overschouwen, zijn die dan fier? Tevreden?'

'Laten we met zijn allen naar Nederland verhuizen', zegt de Gladde Zakenman. 'Dat is goed', zegt Boerken, 'en ze hebben er goeie jenever.'

De Oude Knorpot mompelt iets over Duvel.

woensdag 18 mei 2011

Asperges

De avond in eenzaamhotel strompelt voorbij en wat doet een mens dan? Vanalles. Ineens zie ik de suggesties voor mij, op het kleine tafeltje.

Ik lees, lach (bijna) hardop en vertaal voor u, lezer: Asperges op Grootmoeders wijze. Nu, ik had een grootmoeder, God hebbe haar ongekraste ziel, van wie de kookkunsten onovertroffen waren en zullen zijn tot lang nadat de mensheid zichzelf overbodig gemaakt zal hebben. Ik herinner me geen enkel bezoek aan mijn lieve grootouders op zondag ochtend, waarbij mijn grootvader niet roezig van te veel pinten in het duivenlokaal en opgetogen door winst bij het vangen der duiven en/of kaarten of zwaarmoedig door tegenslagen op dezelfde vlakken, thuis kwam met de velo en ik niet de doordringende geur mocht genieten van aangebrande pattaten en groenten die door mijn grootmoeder vakkundig tot zwarte en stinkende en totaal oneetbare kunstwerken werden verkoold.
Als ik het huisje van twee duim hoog en anderhalve meter breed voorbij rijd, met de fiets of de auto ( ik, met de fiets?), ruik ik die geweldige geur van aanbrandende pattaten. Asperges op Grootmoeders wijze? Ik denk het niet. Net als Rik op de fiets.

maandag 11 april 2011

Onzin

Het antwoord op de vraag naar de zin van het leven is de vraag zelf. En omgekeerd: ik stel de vraag nooit, dus heb ik geen nood aan het antwoord. Wat bewijst dat onzin gewoon onzin is hoe mooi je dat ook gaat verwoorden. Onzin heeft nooit zin.

donderdag 7 april 2011

1954-2011

Het dorpje V ligt diep onder de Scheldedijk. Het kerkje ligt tegen de veel te brede en hoge dijk weggedrukt. De spits met de haan komt amper boven de dijk. Rond het kerkje een paar oude graven, een muur en een hek.
Voor het kerkje draai ik rechts de polders in. Over wat ooit, wellicht niet zo lang geleden, nog een aarden weg is geweest, kronkelend tussen de boerderijen tot in de polders. Over die kronkelende weg ligt nu een laag asfalt, als een reep zwart gestolde lava tussen het gras, het onkruid, de rietkragen.
Net voor de polders draai ik links. Mijn zware logge 4x4 slippend naar links en rechts,trekkend en sleurend aan de trailer. De bocht tussen de wilgen links en rechts is te kort, de trailer schuurt zich tegen de verwilderde takken terwijl vooraan de Navara de neus in bergen afval boort. Het bakstenen gebouw ligt onder het mos en onkruid, heeft openingen als open en gapende wonden in de gevel, die op ander plaatsen dicht gemetseld is, daar waar vroeger de wonden waren. Littekens van beton en andere kleuren baksteen.
In de lage donkere stal rinkelen kettingen en klinkt dof gestommel. Ik stap binnen en laat mijn ogen wennen aan het duister. De geur van mest en hooi mengt zich met de dierlijke warmte en slaat me in het gelaat. Een paar tiental koeien wachten vies en vuil en gelaten op het einde van de winter. Ze staren me aan en loeien. Buiten de stal blaft een hond. Iemand vraagt nors "Wie is daar?"

Als ik het hooi geladen heb en me bijna klem rijdt in de modder en er tussen de bomen eigenlijk te weinig ruimte is om de combinatie te draaien, bedenkt ik dat ik de volgende keer met de andere kortere 4x4 moet komen, want dat dit millimeterwerk me geen tweede keer lukt. Ik schakel in 2wheel drive en rijdt op het smalle asfalt de polders in, om dan via de andere zijde het dorpje V aan de Schelde te verlaten.

Ooit zakten de heren uit mijn stad naar dit dorpje en ze staken er de dijken door, om zo hun trotse stad te vrijwaren van het kolkende en stijgende Scheldewater. Nu dwingen we de laatste boeren op de knieën, veroordelen hen tot armoede, omdat we hen vergeten zijn. Als deze laatste boer verdwijnt zal niemand treuren.

Ik zal er heen rijden, om een trailer vol hooi te laden, en ik zal merken dat de boerderij leeg staat en nog meer vervallen en morsig. Daarna komen de vastgoedontwikkelaars en de heren uit de fiere stad die vlakbij de polder willen resideren.

Geen moraal, dit verhaal.

donderdag 31 maart 2011

Groen!

Groen! Niet de politieke partij met de simpele naam met een uitroepteken en een profiel dat even uitgesproken is als de horizon van de Noordzee op een windstille dag. Niet de ex-andersgaanleven heren en dames die meestal lachend de naam van hun partij uitdrukking geven, want groen smaakt blijkbaar zuur.

Groen! Over de grauwe grijzigheid van de bomen is een vleug groen zichtbaar geworden. Als heeft iemand met waterverf gesmost.

Verder ben ik een halve boer en dus geen vriend van Groen! Maar ik hou ten volle van de natuur en nogal van evenwicht en rustigheid.

dinsdag 29 maart 2011

Thomas Edison.

Ik heb een alleraardigst boekje kado gekregen enige tijd gelden: keep calm and carry on. Ergens lees ik een uitspraak van Thomas Edison. Edison, van die fameuze gloeilamp, die eindelijk bijna oude technologie is geworden en ook van de grammofoon, die nooit oude technologie zal worden, al leek dat met de digitale dragers even te zullen gebeuren.

Edison zei: 'Hell, there are no rules here- we are trying to accomplish something.'

Geweldig. En o zo juist.

Waar wetten en regels zijn gaat de creativiteit dood. Wetten en regels zijn de wapens van de levende doden. Van hen die geen fantasie meer hebben of er bang van zijn. Van hen die eendimensioneel leven. Flatliners.

vrijdag 18 maart 2011

Spiegelbeeld met watten en heaven and hell en het verschil

Hij kijkt in de spiegel en het beeld in zijn hoofd van zijn hoofd komt helemaal niet overeen met het beeld van dat hoofd in de spiegel. Onder de ogen tekenen zich zakken af van een formaat dat die van de Ikea laten verschrompelen tot theezakjes.

In zijn hoofd zitten dikke watten.

'Had ik maar wat meer geslapen', denkt hij, al is van enig denkproces weinig sprake, vanwege die watten die verhinderen dat de radertjes draaien en de vonken overspringen. In zijn hoofd heerst de stilte van een ochtend in de dikke mist.

Gisteren was hij op een plek om mensen toe te spreken en later, vanaf het balkon aanschouwde hij een kolkende brei tegen elkaar geplakte mensen die op bonkende muziek op en neer bewogen onder zoekende spots. Iemand opende de ramen van onze loge en met de diepe bassen sloeg ook de vochtige hitte van honderden lijven hem in het gelaat, zoals de hitte in de tropen als je de airco van de taxi achter je laat. Hij dacht aan stromende lava. Hij dacht aan kolkende golven van een kokende zee.

In zijn hoofd heerst ruis. Hij wast de handen voor de spiegel en wrijft even door de haren.
'Godverdomde oude zak', mompelt hij en het klinkt niet ironisch. Het is een vaststelling. Het is de kloof tussen het beeld in en het beeld van het hoofd. Het hoofd vol watten. Het hoofd vol ruis. Het hoofd zonder gedachten.

Hij laat de spiegel achter zich, wendt zich af en droogt de handen. Hij ademt even diep. 'Misschien moet ik maar een luchtje scheppen', denkt hij, maar voor hij die gedachte kan vasthouden is ze verdwenen in de mist.

Hij had ook kunnen denken, 'wie hoopt, heeft alles', of 'leven is de som van onze keuzes', maar vandaag denkt hij niet en niets. Vandaag zijn er geen processen in zijn hoofd. Enkel watten. En kleine Buddha-beeldjes.

Ik lees mijn tekst na en vraag hem wat de moraal van dit verhaal is en hij denkt niet na en geeft me geen antwoord. Daarom schrijf ikzelf de conclusie. Punt.

Hij kijkt de schrijver aan en ineens doemt de schim op uit de mist en het is een vragende gedachte: zag hij de hel gisteren, of is dat de hemel?

Ik zie de vraag in zijn hoofd en de leegte in zijn ogen en ik zeg: 'Geen van beide. Wat je zag, was gewoon een moment op een donderdag ergens in Vlaanderen en omdat je er op neerkeek, letterlijk, maakte je er geen deel van uit en waan je je goddelijk en denk je in termen als hemel en hel. Het was gewoon aards.'

Hij luistert niet. Te veel ruis. Ik denk dat hij eerder neigt naar 'De hemel en de hel zijn identiek, het is enkel de beleving die het verschil maakt', maar verder dan neigen zal het niet worden vandaag.

woensdag 16 maart 2011

Analyse van het Onderwijs in 28 delen

De merel is een vogel, alsook de mus en de ekster. Er zijn nog andere vogels. De fuut. De eend. De koolmees. De kraai. Het roodborstje. Allemaal een bek, twee poten, een staart en twee vleugels.De bek dient om te eten. De vleugels om te vliegen. De staart voor het evenwicht en de richting. En de poten dienen om te staan als de vogel niet vliegt. De natuur is een mooie zaak. En een vogel heeft twee ogen. De staan bij de bek, want een vogel moet kunnen zien wat hij door dat onderdeel naar binnen werkt. Stel je voor. Een vogel staat vol veren.
Ik heb een fascinatie voor de natuur en heb een grote bewondering voor biologen, want alleen de natuur kan zulke mooie levende wezens bedenken die zo vernuftig in elkaar zitten en alleen de biologen kunnen aan ons, gewone stervelingen, uitleggen hoe vernuftig dat allemaal wel is. Zwemvogels, bijvoorbeeld, kunnen ook drijven. Zij hebben vliezen tussen de tenen aan hun poten en met die vliezen kunnen ze onder zich het water verplaatsen en zonder de fysica daarvan te begrijpen, bewegen zij zich daardoor voort op het water als waren ze trappelende boten.
Kraaien kunnen tellen. Tot 3. Ze tellen 1,2,3, veel. Het zijn verstandige vogels. Dat betekent dat ze iets minder stom zijn dan de doorsnee vogel, want die is ronduit volslagen leeghoofdig.
Een kip is ook een vogel. Een kip is dom. En dient om te worden gegeten. Ongeveer zoals de kalkoen. En sommige delen van de gans.

Ongeveer zo werkt het onderwijs.

maandag 14 maart 2011

De Ronde van de geeuw

Bekende Vlaamse acteurs pronken met lelijkheid. Ik zie baarden in alle maten en vormen, uitpuilende ogen, dikke pensen en gewoon lelijke koppen. Ik zie alle typekes uit In de Gloria opduiken en daarna zie ik de cast van Het Eiland en ik zie lelijke beelden, en onregelmatige belichting. Ik zie het handschrift van voortdurend wisselende camera's en technieken. Ik zie een Broodje Aap verhaal in een bordeel met Simonneke en een knorrige (hahahahahahaha) dwerg die ook maar zijn werk doet en ik geeuw alweer. Ik zie Wim-de-komiek ernstig zijn en wacht op een uitbarsting van waanzin om eindelijk bevrijding te voelen en te kunnen lachen. Ik zie iemand die in een cactus heeft gebeten en vroeger lang haar had en een typische lach en zijn duivelse broeder uit Het Eiland heeft nog steeds een rosse baard en een triestig gezicht. Ik zie Wim-van-de-bende en wil hem op de motor zien stappen met zijn twee kompanen om doorheen Europa te reizen en wijsheden te debiteren waarna Jeanke bier gaat proeven met Ray. Maar Wim moet naar weer een ander vrouwke uit In de Gloria dat hij op tv heeft gezien langs het parcours, waar ook de de halve cast van De Helaasheid staat te kijken en ook dat andere Jeanke De Pesser, uit de kampioenen en veel vroeger nog van de Colega's, samen met Protput. in de auto die langs komt zit de grote baas van Het Eiland zichzelf te zijn met Els aan zijn zijde die alle talent nodig heeft om niks te spelen. En zo komen alle verhaallijnen samen. Het is allemaal net zo spannend als de broek van Bart De Wever om de lenden van Di Rupo. en even appetijtelijk.

zondag 13 maart 2011

Over De Ronde en de ondraaglijke lichtheid van de hype

De Ronde. Tadada.

De ene na de andere bekende Vlaaamse acteur van het betere soort, dat betekent, zij die thuis horen in het kringetje artistiek gehypte lege dozen, komt even in beeld en debiteert een flardje tekst. De camera zwaait een beetje pseudo amateuristisch, want dat is het nieuwe naturel. In vale kleuren, want dat is het nieuwe artistiek. Het verhaal ontspint zich met de snelheid van een boom die blaadjes krijgt. Of het gras dat groeit. Ongetwijfeld zeer boeiend als je het in high speed afspeelt. Ik kijk en voel evenveel emotie als bij het bekijken van de deur van mijn wijnkelder. De deur is weinig boeiend. Achter die deur vermoed ik de heerlijkheden van rijkelijke smaken en geuren en uren proeverij. Maar de deur zelf kan me maar matig boeien.

Het verhaal zwenkt met de snelheid van een vlucht duiven die boven hun hok de vleugels uitslaan, want springen van de ene verhaallijn naar de andere is het nieuwe chique. Even hallucinant als het snuiven van waspoeder.

Ik geeuw.

Ik ga nog liever in de frituur zitten om er te kijken en te luisteren.

Open einde

Ik ben ongelooflijk lui. Mijn talent voor luiheid is allicht zo groot dat het schier onbeschrijfbaar wordt en daarom beschrijf ik het niet, want dat zou me te ver leiden en me te zeer vermoeien. De luiheid tergt me niet. Ze laat me dagenlang slaperig soezen in zetels, in hangmatten, in bed, op grasvelden. Het liefste in de zon, als een kat. De moeheid beloont me niet, ze is er gewoon. De luiheid laaft zich niet. Ze neemt niet. Ze geeft niet. De luiheid is alles.
Ooit was ik zo lui dat

zaterdag 12 maart 2011

Roofdier Tijd

Logica brengt je netjes van A naar B, verbeelding brengt je om het even waar. Ik sluit de ogen en ben waar ik wil zijn en dat is een zaligheid. Ik bereis de wereld, de tijd in mijn hoofd en bepaal de gang der dingen. In mijn woorden en zinnen schep ik mijn eigen wereld en ik ben God en ik bekijk het met een zelfvoldaan gevoel. Ik glimlach.

Aan de muur hangen tientallen klokken en ik heb de er batterijen uit gehaald, of ik weiger ze op te winden. De klokken staan op willekeurige tijden en wijzen allemaal tweemaal per dag het juiste uur aan. Het is alleen kwestie van opnhet juiste ogenblik naar de juiste klok te kijken. Een ervan werkt wel, maar loopt niet correct en wijst nooit het juiste uur. Op om het even welk moment je ernaar kijkt, van een ding ben je zeker: het uur op de wijzers is nooit het juiste uur. Enkel bij benadering.

Ik zoek de betekenis van dit alles, en kan ze niet vinden. Want er is er geen. Behalve dat de juiste tijd me niet echt kan boeien, vanwege niet relevant. Het juiste uur verrijkt mijn leven niet. Ik heb jaren zonder horloge geleefd en ik heb nog steeds geen talent voor tijd en de gevolgen ervan.

Ik kijk naar de muur. Het is schemerdonker in de woonkamer. Mozart vult de kamer met zachte muziek. Ik zoek een klok die het dichtste het huidige uur aanwijst en vind er een die op ongeveeer elf uur staat. Het vult me niet met voldoening. Ik kijk en stel vast.

Wat verderop staat de schoorsteenmantelklok van mijn grootouders. Als ze opgewonden is, tikt ze traag en luid en utgesproken. Om het uur laat ze zich luid horen. Ze vult de huiskamer met haar tijd. Niemand windt de klok op. Ze tikt niet. Ze is ze. De tijd is er ook. Tikkend of niet: de tijd gaat voorbij. Staat voorwaarts. Van orde naar chaos en verval. Van chaos naar orde. Van bloem naar vrucht naar rottend massa. Van de oerknal naar de complete orde van de wanorde

Tijd is een roofdier. Wij zijn de prooidieren. Ik ben een goede God. In mijn wereld is geen tijd. In mijn wereld leven mensen in woorden van tijdeloosheid.

donderdag 10 maart 2011

Handschrift

Op zijn hand schrijft hij die zaken waarvan hij weet dat het zinloos is om ze ergens in het geheugen te parkeren, omdat eens daar gestald, ze wel blijvend zijn, maar niet steeds vindbaar en zeker niet gebonden aan tijd en tijdstippen. Daar dient de linkerhand voor. Op de rug ervan zet hij letters en cijfers, soms woorden. Schroom ken hij daarbij niet. Wat andere denken is erg belangrijk soms. Maar soms ook totaal niet. Het schrijven op de hand maakt hem tot wie hij is en was. En zal zijn. Het is een restant uit de kindertijd en het zal bij hem blijven tot zij huid kreukelig en dun is en glazig en het vasthouden van een pen moeizaam wordt en de letters groot en beverig. Sommige dingen zijn voor de eeuwigheid. Niet zo de schrijfsels op de hand. Die wassen zich weg en verdwijnen.

woensdag 9 maart 2011

Talent

Ik ben een zagevent. Ik heb echter geen beloftes gedaan over zagen in 2011 en dus doe ik lustig verder. Dat ik bovendien een oude knorpot ben, valt moeilijk te ontkennen. Elk jaar wordt ik ouder en ik heb nu eenmaal een uitgesproken talent voor ouder worden en knorren. Het is een talent en ik heb in de bijbel gelezen dat je die moet inzetten. Over mijn bijtende cynisme heb ik wel beloftes gedaan en daar hou ik me dan ook aan in beperkende mate. Cynisme is geen gave. Het is een geloof. En je kan ongelovige worden. Of je kan van geloof veranderen.
Gerard Reve is toch ook Katholiek geworden. Of was het gewoon seniel? Dat ben ik vergeten.

Met de ogen dichtgeknepen struikel ik door het leven, want wanneer ik ze open, om me even te oriënteren, of omdat ik keihard over een of ander rommelig voorwerp ben gestruikeld met mijn smoel tegen de grond, zie ik duizenden gelegenheden, zie ik honderden smekende onderwerpen om te overgieten met het sissende zuur van cynische woorden. De wereld gaat kapot zonder cynisme. Niet door cynisme. Maar ik heb het beloofd. Ik ben vergeten waarom en vraag me oprecht af of dat verstandig was. Maar belofte is belofte. Denk ik. Ach. Ik weet beter.

48 en knorrig.

dinsdag 8 maart 2011

Doos in de garage

Ik heb lang niet geschreven. In de garage heb ik een doos geopend. Daarin zitten schrijfsels van me. Geschreven tussen 1980 en 1985. Verhalen. Bedenkingen. Pogingen tot poëzie...
Het valt me op, dat ondanks al die jaren zonder schrijven bepaalde woorden en beelden gebleven zijn.
Zee
Steen
Schaduw
Licht
Donker
...
Het valt me ook op dat het witte blad me nooit heeft afgeschrikt. Ik ging achter de schrijfmachine zitten en begon te ratelen. Takketakketakke. De woorden kwamen en vormden zinnen en soms ontstond iets dat zin had, meestal echter niet. Complete nonsens. Een aap die woorden tikt en dan maar hopen dat uit die willekeur een meesterwerk ontstaat.

En toch.

Ik ben in die hoop wat verschraalde papieren beginnen lezen en ben blijven lezen. Sommige inzichten waren pril. Andere opvallend accuraat. En nog andere ongelooflijk visionair. Ik schreef over zaken die nog moesten gebeuren, ruim 20 jaar later. Ze staan er. Op papier. Ontstaan uit willekeurig naast elkaar plaatsen van woorden en zinnen en gedachten.

Het heeft geen betekenis en ik zoek er ook geen. Ik zoek er net geen.

zondag 6 maart 2011

Over toen de dieren nog spraken en over vrouwmensen en koebeesten

In die tijden waren de regens overvloedig en de zomers droog als de Sahara, en de dieren spraken weinig, want ze spraken alleen over die zaken waarover ze wat zinnigs wisten te vertellen en dat beperkt de gesprekken nogal drastisch. Alleen het mensendier sprak overvloedig en had overal een mening over en dat maakte de soort behoorlijk irritant.

In de taal van het platteland bij de noordelijke zee spreken de mensen van koebeesten en vrouwmensen en mansmensen en erkennen daarmee de diersoort mens. Klein en kromgewerkt zijn ze, en de kleur van hun vel is bronzig van het buitenleven en hun huid is als soepel leer en geplooid rond ogen en mond. Ze roken sepiakleurige sigaretten in de hoek van hun mond en ze spreken een taal die eeuwenoud is en verdwijnen zal als zijn sterven weet ik. De laatste Vlaamse boeren brengen me hooi in kreupele wagens getrokken door oude tractoren van het merk Porche. Ze helpen me het hooi lossen en stapelen in de hooischuur. Ze hebben me leren stapelen en ik ben niet een van hen geworden, maar ik mag wel meebabbelen. We laten veel stiltes. Dan turen we over de velden. Of kijken naar de tekenen in de hemel. Zal het regenen? Wordt het hooi? Of voordroog?

We schimpen op modernisme en het verdwijnen van de laatste boer. We schelden op burocratie en de onwetendheid van de administratie en het beleid. We praten over eerste snee en tweede snee. We klagen op de natte lentes en de droge zomers en het gebrek aan landerijen. We vloeken samen op ecologische bermen die vooral dienen om vreemde en/of schier onuitroeibare planten ongestoord te laten oprukken, die de akkers overwoekeren, de weides vergiftigen en de kwaliteit van het graasland en de hooiweides aantasten als een woekerende kanker.

We drinken koffie en bier uit het flesje.

Ze hebben me hooibalen leren stapelen. Eerst waren mijn bouwsels krom en schots en scheef en wankel. Nu zijn ze stevig en recht. Tenminste, bijna.

Ze zoeken een tractor voor me. Ze reserveren hun beste hooi en stro. Ik heb meer dan respect gekregen voor hen. Een land dat zijn boeren doodt, doodt zichzelf. We leven in een stad zonder koeien. We leven in een stad zonder hooiweides.

We ontnemen de boer zijn laatste stukje land en zo doden we hem, niet eens langzaam of pijnloos. We doden de boer bewust en meedogenloos. We grijnzen. We zijn klootzakken.

Ik heb geen boerenbloed. Mijn voorvaderen boerden niet. Ze wroetten in moestuinen. Ze werkten zich kreupel als dagloner.

Ik heb geen boerenbloed. Vandaag heb ik een hele dag gewerkt op mijn beetje land. Ik heb palen in de grond geramd met een zware hamer, ik heb draden gespannen, poorten geplaatst. De zon scheen, maar op de weides in de open vlakte van 't Hoogveld voelde het bitter koud. Mijn onderrug, mijn schouders, mijn armen, mijn nek en mijn handen en vingers janken van de inspanningen. Mijn broze is moe. Morgen sta ik op, stram en stijf als een oude man. Ik ben af en toe boer, in het diepst van mijn gedachten. Mijn lijf echter, maakt mijn afkomst duidelijk: ik ben geen boer.

En toch zal ik volharden.

Op een dag spraken de dieren helemaal niet meer. De mensensoort echter, bleef maar praten. De mensdieren hadden een mening over alles, ook als wisten ze niet waarom.

Belgium to set an ever lasting world record

Onozele journalistiek. De dag dat wij, fiere Belgen die niet meer bestaan, want we zijn of Vlamingen, of Walen, of Brusselaars of iets dergelijks, het fameuze wereldrecord regeringsvorming breken, schreeuwen ze moord en brand en schrijven kranten en lullen journaals vol. Niet eens relavant, want het is een leugen. We hebben dat record helemaal niet gebroken, beste mensen. De heren en dames onderhandelaars, leeghoofdige zelfingenomen navelstaarders die de basistechnieken van het onderhandelen nooit zullen beheersen, omdat ze daarvoor de verstandelijke vermogens ontberen en vooral het empatisch vermogen dat daarvoor een vereiste is, zijn nooit begonnen met het onderhandelen over een regering die dit land, dat er blijkbaar geen is, moet regeren. De heren en dames doen alsof. Op een bijzonder onhandige manier.

En ondertussen kabbelen de gesprekjes verder. Een na een worden belangrijke mannen met nieuwbakken titels bedacht door de koning zonder macht van een land dat er geen is en die mannen gaan dan doen alsof ze gesprekken hebben met die andere mannen. En ze leggen diezelfde argumenten telkens weer opnieuw op tafel. Loops.

Geef een aap een pc. De kans dat het dier een roman schrijft is groter dan dat de heren politici alsook de dames op deze wijze tot een regering komen. De situatie is een zonder enig perspectief.

Ondertussen heeft de aap een geweldige openingszin klaar: "Water en boomstronken draaien rond elkander en de zon is groen vandaag". De aap eet paddestoelen.

Ondertussen zetten we met de dag het record hoger en hoger en scherper en scherper. Geen enkel land waar ook ter wereld en wanneer ook in de geschiedenis van de mensheid en haar schepselen en beschavingen, zal ooit nog in de buurt komen van ons Heilige Wereldrecord.


Als de Belgen wat doen, doen ze het grondig. Alleen jammer dat ze niet bestaan, die Belgen.

Moraal van dit verhaal: geen, zoals gewoonlijk.

De wever die niet weven kan

Weven is een mooie activiteit. Met langse en dwarse draden, die lijnrecht elkaar kruisen en die zo mooi schering en inslag genoemd worden, bouwt de wever, een eerbaar en eeuwenoud ambacht, aan een hecht en onwrikbaar doek. Met roedes en een vernuftig op en neer bewegen van gekleurde draden, gebonden tussen schering en inslag in w en v bindingen, tekent de wever figuren en vormen. De wever is een Schepper. Of zou dat moeten zijn.

Als de wever enkel schering kent, en geen inslag erkent of wil gebruiken om het gronddoek te maken, zal hij nooit tekeningen maken of vormen. Hij zal blijven zitten met stomme langse draden die tot niets dienen.

Enige analogie is louter toeval.

maandag 28 februari 2011

Spookrijders en het leven

Ik rijd nu trager dan vroeger op de snelweg. Omdat ik met de leeftijd bezadigder en minder gejaagd ben geworden, maar vooral omdat de pakkans behoorlijk is toegenomen.

Ooit ben ik een keer een spookrijder tegen gekomen. Op een onverlichte snelweg in het verre Westen van ons platte land dichtbij de Noordelijke zee. Ik reed 's nachts op het middelste vak van een verlaten snelweg, en ineens doemden lichten op aan de andere zijde en voor ik besefte dat die lichten kwamen van een auto, die vanuit tegengestelde richting op mijn deel van de snelweg aan het spookrijden was.

In die periode reed ik graag 150 en meer en ik vermoed dat die auto minstens zo hard reed.

Ik had niet eens de tijd om een adrenaline-stoot te voelen. Het moment was voorbij voor ik het zien komen had.

En nu de brug.

Zo gaat het regelmatig in het leven: iets raast je ineens vanuit onverwachte hoek voorbij en je hebt niet eens de tijd het te beseffen. Soms denk je achteraf, zoals bij die spookrijder: oef, ik ben niet frontaal geraakt en soms heb je spijt dat je de opportuniteit niet gegrepen hebt, omdat die voorbij was voor je de tijd had de handen uit te steken en te klauwen.

Dat dacht ik vanochtend. Rijdend van West naar Oost onder grijze luchten en in de miezerige regen. Soms denkt een mens.