donderdag 10 november 2011

Boerken en de griep

Boerken ligt met griep te bed en vloekt en tiert en hoest en kreunt en jaagt iedereen weg want hij heeft griep en dan is boerken ongenietbaar. Buiten werken de Droeve Dichter en de Scheve Schilder, die stille de altijd vergeten wordt en die daar niet om geef. Ze werken in de stallen. Onhandig en langzaam. Ze knoeien wat aan en zijn lacherig opgewekt als kleuters. De Oude Knorpot die hen zo bezig ziet mompelt wat in zichzelf en slentert weg, de handen diep in de zakken en de kop diep in de kas.

In de kop van Boerken jaagt de winter botsend met de herfst en bonkend tegen een zomers onweer en in zijn leden en lijf janken de wolven tegen de maan en huilen hyena's en beuken kuddes wildbeesten en krioelen miljoenen termieten en worden de heuvels kaal gekapt en de bossen worden woestijnen en tornado's razen over de velden. Boerken zweet. Boerken hoest dikke fluimen en zijn longen knarsen en piepen en schuren en branden.

De Oude Knorpot zit beneden en als de Droeve en De Scheve binnen komen en zich warmen aan de stoof, begin hij te zagen en te klagen over zijn oorlogswondes die vol granaatscherven zitten en die in alle haast zijn dichtgenaaid met botte naalden en ruwe koorden en die ontsmet zijn met jenever en later zijn gaan ontsteken en etteren en die daarom nooit volledig zullen genezen. Die pijn doen van tijd tot tijd.
'Tijdbommen zijn het', zegt de Oude Knorpot,'als de granaatscherven gaan zwerven kunnen ze pezen raken, of aders, of zenuwen. Je kan ondraaglijke pijnen lijden, of je kan verlamd raken of ineens doodvallen. Ik haat die zeurende pijn van oorlogswondes die komt en gaat.'

De Droeve Dichter haalt de schouders op en zegt dat hij erover schrijven zal en De Scheve Dichter zegt niets.

Buiten schuift de volle maan in het zenith tussen de sterren door. De velden zijn kaal en kreunen onder het tergense lawaai dat vanaf de steenwegen komt aandreunen als een onophoudelijke lawine.

Boerken hoest.

Binnen snuiven de paarden. In de stallen is het warm en stil. Er is rust.

woensdag 9 november 2011

Onder de zwarte stolp van de nacht.

Boerken is verkouden en met een bonkende kop vol snot mest hij de stallen uit en zeult hij de zware kruiwagens tot de mesthoop nadat hij ze heeft volgeladen met naar ammoniak stinkende rood rosse houtkrullen en zware bollen paardenmest. De riek gaat heen en weer en Boerken vloekt omdat zijn rug zeurt en zijn kop zeer doet.
Buiten is het donker en het stinkend irritante lawaai van autobanden op asfalt en treinen op rails waait over de kale velden, over de weides met de Oostenwind die zacht is en droog. In het Oosten klimt de maan en vanaf de gindse luchthaven stijgen vliegtuigen op. Vrachtwagens bulderen, treinen janken en motors gieren. Boerken wordt er moe van.
Hij haalt de paarden van de weides, een na een en legt hun dekens op voor de nacht terwijl ze hooi eten. In de stallen is het lawaai weg.
Binnen zit de Gladde Zakenman en hij leert de Droeve Dichter hoe die een zakenman kan worden en hij toont hoe hij de aandacht trekken kan, door al pratend nonchalant achteruit te leunen, druk gesticulerend met de handen alsof het er allemaal weinig toe doet en hoe hij met woorden een web maakt en door zijn houding dat web onzichtbaar blijft en hoe hij, als de ander praat op de juiste momenten voorover gaat zitten, de armen geopend en met de ogen in de ogen van de ander, aandachtig luisterend en hoe die ander zich dan gewaardeerd gaat voelen en gehoord en hoe die honderduit gaat vertellen alle dingen die de Gladde weten moet. En de Droeve Dichter weet zich betrapt, kijkt naar de zakenman en voelt afschuw en bewondering tegelijkertijd.

Hij gaat zitten aan de verweerde tafel en schrijft op een wit blad papier:
Met mijn trieste blik en mijn verhalen gedrenkt in tristesse schrijf ik met wit krijt op zwarte muren:

Onder de zwarte stolp van de nacht in de gelige lichten van de verre stad glijdt een zwarte stroom als zware olie naar zee. Over het water schrijdt in het gelige licht aan de gindse einder waar de stad spookt als geschreeuwde woorden, de bijna onmerkbare witte gestalte van het Meisje van de Zee, als de adem van een kind, de zachte bries over de stranden.
Ze schrijdt behoedzaam fluisterend over het dikke water wit op zwart en ik schrijf haar zwart op wit op het dunne papier heftig krassend.
Ik schrijf haar zwart op wit 'ik hou van jou' en wit over zwart glijden mijn woorden als mistflarden tot bij haar en ze omcirkelen haar zachte verschijning en ze ademt mijn woorden en wordt woord.

Met wit krijt op zwarte bordverf over zwart inkten letters op wit papier. Ik buig de waarheid. Ik speel.


Boerken komt binnen, hoestend en snotterend, en even later is ook de Oude Knorpot en die vult meteen de avond en de ruimte met gezaag en geklaag over Paters en Bier en Commercie en Volksverlakkerij en niemand luistert.

vrijdag 4 november 2011

Rix fairytales

Er waren eens twee Koningskinderen en die hadden elkander zo lief, maar het water was veel te diep en hun ongeduldig verlangen was te groot om zwemlessen te overwegen en dus kochten zij een dompelpomp bij de lokale bouwmarkt en ze leefden nog lang en gelukkig.

Sprookjes uit de koekentrrommel

Er waren eens een leeuw, een lam en een wolf en een hert en een jager en nadat de jager het hert had geschoten en zijn buit probeerde tot bij de blokhut te sleuren, viel de leeuw hem aan en doodde hem met een stevig slag van zijn linkervoorpoot in de mensennek die meteen knakte en terwijl de leeuw eerst het hert ging opvreten want hertenvlees is lekkerder dan mensenvlees, en terwijl diezelfde leeuw in zijn vraatzucht op niks of niemand lette, ontfultselde het slimme lam het grote geweer aan de levenloze jager en het lam schoot zonder aarzelen de leeuw dood en meteen ook, voor de zekerheid de wolf die net op de open plek verscheen en verder geen rol speelt in dit verhaal en het lam leefde nog lang en gelukkig en eenzaam en had nog vier kogels over in het grote geweer.

God denkbaar de God

Boerken die stinkt naar hooi en mest en zweet en jenever, en de Oude Knorpot met de handen diep in de zakken en een met een Duvel in de hand en azijn pissend, en de Scheve Schilder die stil is en vergeten wordt en ruikt naar terpentijn, en de Gladde Zakenman die steeds lacht en vriendelijk is omdat dat zijn aard is en het hem helpt zieltjes te winnen en die ruikt naar Fahrenheit, en d Droeve Dichter die steeds triest is omdat uit tristesse de mooiste woorden geboren worden, zitten samen rond de verweerde tafel in het Donker Kot van de Droeve Dichter en in hun midden zit de Grote Schrijver, die imaginaire zot en God die hen schrijft en die niet bestaat als zij hem niet bedenken.
Vertel ons, Grote Schrijver van mijn kloten, wat het nu is, onnozelaar, is het wat de mensen die dit lezen, die drie of vier verdwaalde zielen dus, die telkens denken 'wat een gezever toch allemaal, is het waar dus, wat die mensen denken: dat wij allemaal hier rond de tafel eigenlijk niet meer zijn dan karakter-trekskes en dromen en zwakheden van uzelf, Grote Schrijver, is het dat? Denkt gij nu echt dat wij te bespelen zijn, dat wij marionetten zijn? Dat je mensen kan wijsmaken dat jij én de Scheve Schilder bent én de Oude Knorpot én de Gladde Zakenman én de Droeve Dichter én ikke, Boerken? Zeveraar.

Boerken spreekt, neen. Boerken heeft gesproken.
En weet gij, Grote Schrijver van mijn kloten, is het zo, dat gij ons bedenkt?

De Grote Schrijver zegt neen en zij knikken ja en als de Grote Schrijver dan ja zegt, schudden zij neen. Ze zijn het zelden eens, de schrijver en zijn personages en hun schrijver.
Wie is het Stille Meisje eigenlijk?
Vraagt de Gladde Zakenman?

De Grote Schrijver schrijft dat het Stille Meisje staat voor het universele dromen en het eeuwige verlangen en de ultieme afwezigheid en dat zij de muze is en dat zij de motor is van de gebeurtenissen en de brandstof, maar dat zij, net als de andere personages niet meer en niets meer is dan een personage en dat hij de personages schept en niet omgekeerd en dat hij wikt en beschikt en dat het niet anders is en zal zijn. En ze lachen hem vierkant uit en vieren vrolijk het feest van de dronken roes.

Boerken staat op en wil boos het Donker Kot verlaten, vloekend en miljarend, maar de Grote Schrijver laat net dan het Stille Meisje op het raam tikken en de deur openen en Boerken blijft zitten en verlangt naar haar spreken als wind door de populieren en haar adem die als de zeebries is en de Grote Schrijver is eenzaam.


dinsdag 1 november 2011

Wit. Alweer. En de dood.

De herfst is een stille vriend die stinkt naar bosgrond en nat hout en gevallen bladeren en mos in de ochtendmist
zegt De Droeve Dichter tegen het papier met zijn pen die schrijft met zwarte inkt.
De aangeschoten haas is gestorven in het stille duister van de nacht en overmorgen gaat hij stinkend naar rottend vlees en de kraaien op de akkers vreten aan zijn karkas.


Morgen is een andere dag.
denkt de Dichter.
Ik ben moe. De avond schuift voorbij en tergt me en ik weet niet waarom. Er is geen reden. Er is geen staart en geen kop. Geen begin en geen einde. De haas schokt een laatste keer. Hij lag al uren te wachten op de dood. En die kwam pas na het verdwijnen van de zon. In de miezerige regen. Als de mist.


De scheve Schilder neemt een canvas en een penseel en witte verf en schildert wat de Dichter schrijft: wit op canvas.

Wit is het nieuwe dood.

Witte stilte en stiltes van wit en marmer

Ik heb ermee leren leven, ooit
zegt De Oude Knorpot,
Ik ben toen begonnen met het breken van de weerstand, het versmachten van de trots, het vergrijzen van mijn geestesleven, het weghalen van mijn ruggegraat, het zenuwloos maken van mijn ziel en het wegsnijden van mijn verstand. Ik ben toen begonnen aan mijn metamorfose tot dweil.

Het is stil in de donkere kamer en iedereen kijkt de Oude Knorpot aan en ze wachten. Ze kijken in stilte naar elkaar, Boerken en de Droeve Dichter en de Scheve Schilder en zelfs de Gladde Zakenman kijkt en laat in zijn ziel kijken en de anderen zien het ongeloof in zijn ogen die voor een keer geen gesloten poorten zijn. Ze wachten en ze aarzelen, maar niemand durft wat te zeggen.



Buiten is het donker. In het raam zien ze zichzelf in het gedempte licht dat de donkere kamer net voldoende verlicht om niet overal tegenaan te lopen. Ze zien elkaar zitten rond de verweerde tafel en ze zien elkaar naar elkaar kijken en ze zien de Oude Knorpot en ze zien de stilte in de kamer hangen, bijna fysiek en de stilte is een ijle steen, een loodzware afwezigheid die hen verplettert en die de lucht bevriest die ze willen ademen en die hun armen en benen loodzwaar maakt en die hun gemoed bezwaart. Buiten is het donker en ergens ligt een aangeschoten haas te sterven, want de jagers liepen door de velden vandaag. Buiten ligt motregen als een nat deken over de velden en de weides en het gras drinkt gulzig en het mos op de bomen slurpt de druppels.


Niemand zegt wat en de avond glijdt voorbij, piepend en krakend en krijsend als een metalen kist over beton en ze merken hoe hun zintuigen pijn doen van de stilte. Hoe langer ze wachten om te antwoorden hoe vaster de stilte wordt en hoe meer ze vastgevroren zitten in hun bewegingloosheid en de woordenloze massa stolt tot marmer. Zij beeldhouwen hun stilzwijgen tot een woordenloos beeld van wit marmer.




Soms horen zij dagenlang niets van elkaar
, zei iemand ooit over de woordenloze stilte,
Dan glijden de dagen voorbij en het deert hen niet. Zalig moet dat zijn. Zo vol zijn van elkaar.




Ik kan het niet geloven, en ook niet begrijpen,
denkt de Dichter, maar hij kan het niet zeggen nu,
Ik kan het niet geloven, maar ik begrijp de boodschap en ik zal eraan denken
.



Enkel denken. En later, diep in de nacht, kan hij het schrijven.
Met zwarte inkt op wit papier. Wit.



Wit.


Als dit: