dinsdag 10 januari 2012

De maan en de zon

Ik loop door het winterse gras. Het is donker. De weides zijn stil. De paarden staan bij de stallen en wachten geduldig. Ik breng hooi rond. Geurig hooi.
In het Westen is de maan net het Zenit voorbij en ze daalt. Ze licht de daken op met zwart licht en de dunne sluierwolken en de rechte strepen van van vliegtuigen kleuren zilverwit. Het natte gras krijgt een bijna onmerkbare laag witte waterverf.

Ik heb buiten niets meer te doen, maar blijf aan de slag, herstel hier en daar wat draden en timmer wat aan poorten en palen, tot in het Oosten de dag in de lucht komt, blauwig eerst en daarna zacht roze tot oranje. In het Westen daalt de maan nu bleek tot dicht bij de horizon. De zon komt. De maan gaat.

Daarom ben ik boer.


In het Donker Kot wrijft De Droeve Dichter de slaap uit de ogen en hij schrijft wat Boerken hem is komen vertellen bij de koffie.

De notelaars en de vervlogen tijden

In de schaduw van een vergeten winter die mild is en zacht, morst de eerste lente zich over de polders. De ganzen schrikken niet op, ze grazen het wintergras.
In het Donker Kot zit de Droeve Dichter aan de blankhouten verweerde tafel en hij schrijft amper, want hij tuurt naar buiten, speurend over de akkers, waar jagers lopen. Hij weet waar de hazen zich schuil houden. De groep wandelt voorbij. Ze lossen geen schot den ze verdwijnen achter de dijk waar de populieren de grijze hemel raken en waarachter de volgende polder ligt, die zich uitstrekt tot tegen de dijk van de trage stroom. Een brede dijk, bijna vierkant en zonder bomen. Niet zoals de binnendijk waarachter de jagers nu verdwijnen, die klein is, en een beetje krom en die bol is en waarom een dubbele rij bomen staan. Een rij bij de voet, een rij net voor de top. Op de top van de dijk loopt een smal zandpad.
Vroeger stonden op die bolle dijken de notelaars. De dijken waren te laag en te krom en te zwak en niet hoog genoeg meer om de mensen die in de polders lelijke huizen kwamen bouwen, te beschermen tegen die trage stroom die wild kan zijn en kolkend en bedreigend bij storm en hoogtij. Er kwamen nieuwe dijken, die vierkant zijn als brede muren en die kaal blijven en waarop een brede asfaltweg ligt.

Vroeger waren mijn truien het breiwerk van mijn moeder, die hele avonden met twee dikke naalden de trui liet groeien, het breiwerk nu en dan passend om en rond mijn lijf en armen. Mijn broeken en jassen werden door grootmoeder getekend, geknipt en aan elkaar genaaid. Op de groei. Mijn schoenen werden opgelapt door grootvader. Fietsen gingen van vader op zoon op broer. Mijn trui warmde na mij nog twee broers en de broeken waren altijd kort, want anders viel je er gaten in en konden ze niet lang dienen. En alles was eerst te groot, dan even gepast en daarna te klein, tot het mocht doorgegeven worden aan de volgende.
Aardappelen kwamen uit onze tuin, net als de erwtjes, de spruiten, de bonen, de witte kool, de rode kool, de bloemkool, de rabarber, de appels, de peren,...Er liepen kippen en in hokken zaten de konijnen.

We werkten in de tuin. We wilden liever spelen, buiten, in de uitgestrekte velden, lang voor de woonwijken er waren en de industrieterreinen. Vroeger. Er was stilte. Er was ruimte. De boeren kweekten nog aardappelen die vol zaten met vette coloradokevers en koren met aan de rand de blauwe korenbloemen en de rode papavers, suikerbieten die we gingen stelen rond Sinterklaas om bij de schoen te leggen, wit, met een paarse streep verf aan de top en dan lichtgroen lover. Er waren boomgaarden en velden met hop vol aardbeien. We fietsten tussen die akkers en weiden langs holle aarden wegen, waar de boer langs kwam met tuffende tractoren en met paard en kar, helemaal tot het volgende dorp. We beseften het niet. Dit ging voorbij. Er schiet niets van over. De akkers zijn weg. De velden vol gebouwd. De aarden wegen verdwenen. De boeren ook. De weinige halve boeren die over blijven, taai en koppig, verbouwen alleen nog mais.

De Oude Knorpot staat naast de verweerde tafel, kijkend uit het raam en praat luidop tegen zichzelf, alsof de Droeve Dichter er niet is.


Stil

De Droeve dichter zit op een lage bank tegen de kastanjelaar. Een jas houdt hem warm. Geen wind strijkt over de velden. Het is een zachte winter. De weides zijn donkergroen en zwart van de modder. Het is stil. De lucht is grijs.

Op de akker, ginds ver, stapt Boerken. Hij loopt er niets te doen. De paarden kijken hem na, de oren hoog op het hoofd, draaiend.

De Droeve Dichter zit onder de kastanjelaar en tuurt over de weides. De lage bank is hard. De schors is ruw en vettig met mos. Merels flirten met elkaar en vechten om hun territorium als was het lente. Over het gras schiet plots een haas weg. Grijs, krachtig en snel. In een rechte lijn gaat hij het hele veld over om aan de overzijde in het hoge beige grijze gras langs de beek te verdwijnen.

De Droeve Dichter kijkt om zich heen, naar het grasveld. Op het gras liggen willekeurig op en door elkaar kleine en grotere takken, die zijn afgerukt en afgeknakt tijdens de stormen die de voorbije weken over de polders raasden. Verderop ligt een ontwortelde populier. De Droeve Dichter drinkt voorzichtig van de Groene Thee die hij zet in een glazen theepot en die hij in een klein glaasje schenkt. Hij blaast zacht de hitte van het oppervlak en zet zijn lippen voorzichtig tastend tegen het warme water. De Dichter heeft vandaag niet geschreven. Hij zit tegen de kastanjelaar en tuurt over de polders en laat de stilte die daar hangt in zijn lijf dringen om hem er te vullen met leegte.

De leegte vult zijn lijf en ziel en de stilte is brutaal.










zondag 8 januari 2012

zaterdag 7 januari 2012

Het leven is een boterham met choco, volgens Boerken

Boerken komt het Donker Kot binnen en lacht breed. Buiten is het warm als in de lente en de zon schijnt en de lucht is blauw en de wind is luw en mild. De merels spelen. De mussen dartelen.
Boerken gooit achteloos een papier op de verweerde tafel, waar de Droeve Dichter zit, als steeds, half in het licht en half in het donker en gebogen over zijn schrijfsels en boeken en met een kop vol tristesse en eenzaamheid en droefenis. Op het verfrommelde papier heeft Boerken geschreven met een wat te stomp potlood en in letters die verraden dat Boerken zelden schrijft en vooral spreekt als hij niet zwijgt:

De tijd eet smakelijk van de boterham met choco die het leven is een trein die raast over de sporen die ik zocht waren gewist door de verse sneeuw dwarrelde pluizig uit de hemel waar de engelen rijstpap eten met bruine suiker in je koffie smaakt als zout op een boterham met choco waaraan de tijd langzaam knabbelt. De zon zakt en raakt de zee bij de einder zie ik een gestalte wandelen van waar ik sta tot bij de bomen ginds staat een klein huis en een boom en een tuin waarin ik groenten kweek die groeien in de zon die zakt en de zee raakt bij de einder die veraf is en nooit dichterbij komt. Ik lig in bed en schrijf deze woorden die ik schreef toen ik in bed lag kwam de huiskat spinnend bij me liggen op het warme zand van de duinpan die warm is in de zonnestralen van de zomer die rust brengt en de stilte van lange avonden en nachten die kort zijn en donker kleurt de nacht als de wolken voor de maan glijden als een kano over een brede trage stroom die is als een warm bed waarin in lig en schrijf de woorden ik lig in bed en schrijf. De tijd die tikt de minuten weg die uren zijn.


Ik kan dat dus ook he, Dichterke van het zevende knopsgat, ge denkt dat gij alleen zo schrijven kunt, maar ik heb me gisteren als ik ging slapen met te veel jenever in mijn lompe boerenbotten, een keer een papier genomen en een potlood en ik heb de woorden die, zoals gij dat zo schoon kunt zeggen, in de zee van mijn gedachten zwommen, laten wolken en ik heb ze opgeschreven als de regen die uit die wolken valt en voila, hier staan ze zie.

Boerken gaat naar de keuken, opent de kast en neemt een jeneverglaasje en opent de koelkast om er de fles oude klare te nemen. Hij tuurt naar buiten en mompelt dat het bijna noen is en dat de weides te nat liggen om er beesten op te laten en dat hij nergens zin in heeft. Straks gaat het weer stormen, zegt hij, kunt ge u dat voorstellen? Straks gaat het stormen. Dan botsen de wolken en zijn ze gehaast door de wind en dan ratelen de woorden uit de zwarte wolken en kletteren ze als slaande ruzies. Jaja, ik word nog een echte dichter, Dichterke, en dan ga ik op het podium staan, maak een buiging en de speaker zegt: ziehier is Boerken, onze landbouwer-dichter en ik lees mijn geweldige gedichten voor en daarna ga ik naar huis en mest de stallen uit en kom bij u uw fles jenever leegzuipen en gij zijt jaloers op mijn succes en ik sla u op uw schouder en zeg dat uw dag ooit nog komt, misschien.



vrijdag 6 januari 2012

Het leven is een boterham met choco

De tijd glijdt, schuift, hort en stoot, kantelt en beeft en piept en kreunt en rekt zich uit en krimpt en is wit en zwart en grijs en helend en pijnlijk en tergend. De tijd gaat voorwaarts. Dat staat vast.

De Droeve Dichter kijkt de Oude Knorpot aan en zegt dat die toch wel soms een behoorlijk potje zagen kan en kan filosoferen over onnozelheden en zever zoals alleen oude mannen dat kunnen die blijkbaar weinig anders te doen hebben om de tijd te doden.
Zozo, zegt de Oude, ga je de tijd doden, mijn beste Dichterke die nog nooit een echt gedicht geschreven heeft en blijft steken bij lachwekkende pogingen daartoe. Hahaha. Hoe mooi.

De Droeve Dichter die droef is omdat dat zo geschreven staat en die daarom niet lacht, lacht dus niet mee, en hij heeft er ook geen zin in, want hij kan niets ontdekken wat hem enigszins aan het lachen zou kunnen brengen. Zijn mond staat strak en zijn ogen liggen diep.

Laat me schrijven, Oude, zegt hij. Ik heb geen zin in spelletjes. In mijn hoofd wolken de woorden die de zee waren zich tot zinnen en verhalen en die wil ik schrijven als regen en hagel en sneeuw op de donker vet stinkende aarde van de polders en mijn droeve gedachten.

Oeieoeoei, zegt Boerken die net binnen komt in het Donker Kot. Daar gaat ons dichterke weer met zijn gevleugelde woorden. Ge kunt er wat van he man, van dat soort gefriemel met woorden. Woorden die wolken worden en dan moeten regenen en hagelen enzo. Ik moet zeggen dat het behalve redelijk belachelijk ook wel niet slecht gevonden is als beeld. Allez. Laat ons eentje drinken. Hebt ge jenever in huis, dichterke. En onze Oude zit ook al aan de bodem van zijn Duvel, nog eentje, Knorrige zagevent?

En zo kabbelt de avond en knabbelt de tijd aan de boterham met choco die het leven is.

maandag 2 januari 2012

Genetisch Algoritme

Het is stil buiten.
Gisteravond was de storm nog zo hevig. De poorten en luiken kraakten in hun scharnieren en kletterden in hun sloten en het dak van de grote schuur kreunde aanhoudend. De wind was hevig en bijna constant toenemend. Het miezerde en die dunne regen sproeide je zacht nat terwijl je buiten aan het werk was in t-shirt. 1 januari in t-shirt. De natuur compleet overhoop.

Een eind na middernacht hield de storm bijna ineens op en werd het stil buiten. De hazen renden over de velden. Groot en sterk. De paarden verlieten de buitenstallen en begonnen voorzichtig te grazen. Het miezerde verder.

De weides zijn sompig en de modder is zacht. Je zakt er in tot over je enkels en verliest je evenwicht. De modder ruikt naar het water waaruit de vissen aan land kropen in die waanzinnig onzinnige zoektocht naar verandering, eigen aan de natuur. De natuur is nooit tevreden. De natuur staat nooit stil. De natuur is nooit in evenwicht. De term 'natuurlijk evenwicht' mag men schrappen uit alle lesboeken. Er is nooit evenwicht. Er heerst constante chaos. Spelregels veranderen voortdurend. Niets in de natuur speelt het spel eerlijk. Alles en iedereen probeert het spel en zijn regels te negeren en ze te herschrijven, constant. Genetische algoritmes.

Wij, mensen, zien dat niet. We willen alles begrijpen en denken dat simplificeren hetzelfde is als begrijpen. We bedenken wetten en regels waar geen wetten en regels zijn. We bedenken logische oorzaak-en-gevolg patronen voor een wereld die geen oorzaak en gevolg kent, maar alleen totale willekeur. En wij mensen begrijpen het niet, want onze hersenen zijn geprogrammeerd om dingen in een oorzakelijk verband aan elkaar te koppelen en daardoor is ons beeld van de natuur het best te vergelijken met een wit blad papier waarop een horizontale lijn staat. Op dat papier is de zee getekend. Zo ongeveer staat ons een-dimensionele begrijpen van de natuur tegenover de natuur zelf.

De Droeve Dichter verzuipt zichzelf in filosofisch geschrijf en zucht en steunt en drink sloten thee. De dagen zijn lang en eenzaam. Boerken is bij zijn beesten. De Oude Knorpot zit ergens in de Ardennen in een blokhut te sakkeren op de wereld. De Gladde Zakenman is aan het werk. De Scheve Schilder is vergeten, als steeds en Het Stille Meisje is naar Zee en is er over de golven tot de einder gewandeld.
De Droeve Dichter voelt de jeukende drang en weet niet waar dat verlangen vandaan komt en wat hij dan wel verlangt. Hij schrijft en schrapt en meet en past de woorden in en naast en achter elkaar en zou ze allemaal tegelijkertijd willen schrijven, over elkaar heen, zodat ze alles omvatten en ontsnappen aan tijd en ruimte en volgorde en regels en wetten.
Hij beukt in het eigen hoofd tegen betonnen muren, graaft kuilen in de waarde, slaat ravijnen in het landschap, tekent meanderende rivieren in graslanden en duwt schollen aarde tot bergen. Hij laat het eeuwen sneeuwen en de bergen raken bedolven onder honderden meter ijs, dat zwaar is en helblauw. De gletsjers glijden de bergen glad en slijten dalen die steeds breder worden en waar de rivieren hun weg kunnen zoeken naar zee en waar de mensen wonen in hutten en huizen en dorpen. Hij schrijft honderden talen die langs elkaar heen gesproken worden.

Buiten is de wereld stil. Geen blad beweegt. Het gras groeit niet. Een winterkoninkje zit op de haag, heel even en vliegt dan snel als een bliksemschicht weg omdat het getroffen werd door de blik van de Droeve Dichter.

Blikken reizen door tijd en ruimte en doen wat we niet begrijpen kunnen. Ik zit in een zaal, helemaal bovenin, linksboven. Beneden, aan de rechterzijde zit iemand en ik wil dat die iemand me ziet. Ik kijk en kijk en kijk en wil dat mijn blik gevoeld wordt. Iemand kijkt op en zoekt links en hoog. Blikken raken. Je kan met kijken iemand aanraken. Dat kan niet. Niet in onze regels en wetten. Er zijn geen regels en wetten. Er is enkel onbegrijpelijke willekeur en onverklaarbaarheid.