'Als er slow food bestaat, of liever, bestond, want zoals alle modegrillen is deze ook luid gekomen en daarna stil gegaan, dan moet gij, Droeve Dichter, aan slow writing doen. Geen grote wilde verhalen, en geen vette zinnen en knallende woorden en zinnen als bossen vol wilde beesten. Gewoon kleine vertelsekes over kleine mensen en hun kleine gedachten en gebeurtenissen in kleine woorden en gewone zinnen.'
Boerken spreekt en niemand luistert.
De Oude Knorpot is er niet. Die is aan de andere kant van de straat in zijn huis en ligt in zijn bad als in het leven: levenloos en stil en niet langer bereid te vechten. Hij is een object in het water en het leven.
De Droeve Dichter is aan het rommelen in de keuken. Het Stille Meisje is buiten en ze wandelt langs de weides.
De regen is koud en de nacht is donker.
De Droeve Dichter komt uit de keuken en schenkt zichzelf en Boerken een jenever en ze nippen voorzichtig. Ze praten over het weer en de paarden en de te natte weides en over hooi en wortelen en bieten en stro. Ze drinken een tweede jenever en Boerken gaat naar huis, langs het pad tussen de donkere weides.
Het waait stevig. De wind strijkt de weides glad. De plassen rimpelen.
De tergend langzaam meanderende levens van Droeve Dichter, Boerken, Oude Knorpot, Gladde Zakeman, Stil Meisje, Grijze Filosoof, Buurmans en de Trage Stroom.
zaterdag 21 januari 2012
woensdag 18 januari 2012
Ik is een woord/ over hotels
Ergens nergens in een hotel in een stad in een land in en lobby die vol drukke mensen zit die druk doen omdat dat zo hoort in een drukke lobby, leun ik achteruit en ik kijk. Ik doe niet druk. Ik ben alleen en dan zou druk doen door met luide stem te praten en grote gebaren te maken en krampachtig interessant en belangrijk willen zijn, behoorlijk belachelijk ogen en dus doe ik het maar niet. Ik leun achteruit. Ik kijk. Ik observeer. Ik absorbeer de beelden. Ik registreer ze niet. Ik ben een spons. Ik neem water op. Ik geef het weer af. Verder doe ik niets.
Ik zit stil en kijk. Het geroezemoes klinkt als een oorverdovende dreun. Ritmisch gedreun. Een kudde wildebeesten over de steppe. Het gras is dor. De grond droog. De horizon trilt van hitte en is ijl als water. Boven de kudde hangt een wolk bruinrood stof.
Ik drink een tweede verse muntthee.
Straks champagne. Dat haalt de scherpte weg. Daarna slapen. Een hotel in een stad in een land.
Ik ben een spons.
Meer verlang ik niet. Minder is meer is minder. In de verte zoemt verkeer. Ergens ruist de zee. De lucht is grijs en laag en de lucht is kil en nat met dunne regen, als de adem van de ijskoningin. Ik proef het Noorden.
In de stilte van de vroeg avond bruist een stad als slechte schuimwijn. Ik sta voor het raam en kijk 14 etages lager naar de wereld in een straat. Mijn voorhoofd tegen het koude glas. Ik zie hoe mijn adem zich vastzet op het raam en schrijf een woord. Ik schrijf 'adem'. Mijn adem als drager voor het woord adem.
De hotelkamer is donker. Ik maak geen licht en ga in het bad liggen. Ik sluit de ogen. In mijn hoofd drentelt een universum als een spelend kleuter door de kamer van mijn gedachten. Ik schrijf mijn lijf in het water. Ik ben een woord.
Ik is een woord.
maandag 16 januari 2012
De Oude Knorpot en het jongetje van 8.
De Oude Knorpot staat in het Donker Kot van de Droeve Dichter en vraagt om een blad papier te nemen en een pen en te noteren. En dan spreekt hij, zonder aarzeling:
De Droeve Dichter heeft niets geschreven.
Het jongetje in mij is 40 geworden deze zomer.
Ik zat in de tuin van mijn grootouders. Het gras was kort gereden want grootvader hield van een bijna militaire orde en netheid in zijn tuin. En zijn hoofd. Hij droeg witte hemden als hij de trein nam naar Brussel om er ambtenaar te zijn. En een das. En een hoed. Hij droeg een grauwe stofjas om in de tuin te werken.
Onkruid moest gewied worden. Gras moest kort. Net als je haren.
Het was een droge zomer, in '71. Het gras was kort en dus kapot gebrand door de zon. Ik zat op het gras en het gras prikte als een veld van naalden in lijn benen. Ik was 8. Ik zou nooit ouder worden dan 8. Dat wist ik toen nog niet.
Het was geen keuze. Kiezen is niet mijn ding. De Goden geven en nemen. Ik heb veel kado gekregen van de Goden. Ik kan goed observeren. Ik kan spelen met woorden, ik kan tekenen en schilderen, ik kan fotograferen, want ik zie licht en schaduw, ik zie de lijnen en ik kan kaderen. Ik ga daar niet vals bescheiden over doen. Het leven is te kort voor bescheidenheid.
De Goden gaven me een geheugen dat zich makkelijk laat vullen. Als ik iets lees of zie, kan ik het een plek geven in mijn geheugen en kan ik het weven in en tussen en om andere herinneringen en feiten die in mijn geheugen zitten, zodat ik het borg. En kan vinden. Telkens weer.
De Goden gaven me liefhebbende ouders, die deze gaven nooit hebben afgeremd. Ze stimuleerden me. Om te schrijven, te tekenen, te schilderen, te fotograferen.
De Goden gaven me de honger tot woorden lezen. Ik lees altijd en overal. Als ik niets te lezen heb, lees ik de woorden op een doos melk, een botervlootje,... Ik denk dat het eerste woord dat ik schreef KWATTA was, van de chocopasta. Bruine gestileerde letters op gele achtergrond en ik schreef het over. Ik kan niet zonder lezen. De Goden gaven me De Encyclopedie. Mijn ouders kochten een 24 delige encyclopedie die in tijdschrift achtige kleine afleveringen thuis geleverd werd. Een 24 bladzijden per keer. En ik las elk van die afleveringen keer op keer op keer, tot de volgende aflevering werd geleverd. Ik heb de hele encyclopedie van A ot Z gelezen en wat ik ooit gelezen heb, zit ergens in mijn hoofd. Daarom was school zo saai. En eendimensioneel plat. Flat Earth Society.
De Goden gaven me iets waardoor mensen me mogen, meestal.
Maar de Goden nemen ook. Ik kan niet kiezen bijvoorbeeld. Ik maak geen keuzes. Alles in mijn leven blijft me overkomen, net als geboren worden. Daarom bleef ik 8, als 40 jaar lang nu. Tot je 8ste ongeveer, beslis je niets. Je leven overkomt je. Vanaf dan wordt je bewuster. Kies je. Ik kan het niet.
De Goden gaven me de gave om alles aan elkaar te koppelen, verbanden te zien die tijd en ruimte overstijgen. Daardoor kan ik niets echt ontleden of in een oorzaak-verband zien. Daardoor kan ik zaken ontdekken die niemand ziet.
Ik ben 8 gebleven. Ik ben hier neergezet om te observeren. Met de blik van de 8-jarige. De Goden hebben me laten reizen. Van Shanghai tot Kaapstad. Van Singapore tot Los Angeles en verder.
Ik ben een Oude Knorpot van 8.
De Droeve Dichter heeft niets geschreven.
zaterdag 14 januari 2012
Sprookje dat begint met 'toen'.
Toen de zon nog een bol was van geel en goud en oranje en rood en de hemel blauw zag van roze en woorden een betekenis hadden zonder verwarring , liep een meisje als een ree door de diepe duinen aan de andere zijde van de zee en in haar ogen doolden de eeuwen eenzaam en verloren en altijd. Ze sprak over verwondering en vervoering en genot en god weet wat nog en dreef weg op een wolk die over zee verdween achter de duinen tegen de wind in die kilte en zilt nat brengt uit zee. Ze sprak over gevoelens en de zandkorrels ruisten gestreken door de bries van stil gefluisterde woorden en woorden die enkel lippen bewegen en geen klank hebben. Gedaan.
Iemand leest woorden die iemand schreef die iemand schreef om geschreven te worden geschreven. Zinnen als duinen van zandkorrels.
Iemand leest woorden die iemand schreef die iemand schreef om geschreven te worden geschreven. Zinnen als duinen van zandkorrels.
De nacht is een beek.
Tin soldiers and Nixon coming,
We're finally on our own.
This summer I hear the drumming,
Four dead in Ohio.
Gotta get down to it
Soldiers are cutting us down
Should have been done long ago.
What if you knew her
And found her dead on the ground
How can you run when you know?
Gotta get down to it
Soldiers are cutting us down
Should have been done long ago.
What if you knew her
And found her dead on the ground
How can you run when you know?
Tin soldiers and Nixon coming,
We're finally on our own.
This summer I hear the drumming,
Four dead in Ohio.
'Ergens op een hotelkamer in een stad in een land en dus nergens en overal, lig ik op een bed en ik luister naar Neil Young en een van zijn drie songs waarop hij honderden varianten brengt. Zoals ik schrijf, denk ik. Steeds hetzelfde, zoals hotelkamers in steden. Steeds anders, steeds gelijkend. De geschiedenis die rijmt.
Ergens op een hotelkamer in een stad in een land, heb ik het te strakke vel van de Gladde Zakenman achter gelaten. Bewust.'
Zegt Oude Knorpot.
'Ik had geen zin om het aan te trekken. Het zat me te ongemakkelijk. Het zat zo strak dat ik er dood aan ging. Ik trok mijn strakke kleren aan en toch voelde ik me anders en lichter en in de spiegel zag ik hoe de eerste tekenen van bezieling zich tekenden in zijn ogen.
Ik trok de hotelkamer dicht. Ik betaalde en verliet het hotel. Ik nam een taxi en verliet de stad. Ik nam het vliegtuig en verliet het land. Ik verliet het strakke vel. Ik liet een leven achter me. De Peetvader heeft het nooit begrepen en heeft het me nooit vergeven, want het helpt te vergeven als je begrijpt. Ik heb nooit de moeite gedaan het hem uit te leggen.
Ik wilde het leven van de Gladde Zakenman achter me laten. Dat was naief. In dat leven ben ik gerold. Beetje bij beetje. Er was geen dag waarop ik besloot Gladde Zakenman te zijn. Ik werd het. Zonder daarvoor te kiezen. En toen ik besloot dat ik dat leven niet meer wilde, bleef het in me haken en aan me plakken. Ik raakte het niet kwijt. Het zat aan me en in me. Ik werd oud en knorrig. Ik werd cynisch en bitter.'
Op de hotelkamer waar ik schrijf nu, in een stad in een land, heb ik een nummer. 214. Ik ben een nummer. Ik de vorige stad in een andere hotelkamer in hetzelfde land was ik nummer 7. Ik lig op bed. Het hotel is stil. Buiten is het zaterdagavond. Hier binnen zijn geen dagen.
Iemand belde me. Iemand uit een vorig leven. We hebben samen wat gegeten in een ander hotel in dezelfde stad in hetzelfde land. Het was stil aan tafel. Ik wist niets te zeggen. Waarover praat je als je geen behoefte hebt aan praten. De lanen in de lege stad waren lang en donker. Het regende zacht. Het was koud. Iemand woont in een oude stad langs een rivier waar het koud is in winter. Ik mis geen enkele stad. Ik heb ze gedroomd.
Ik lig op bed, schrijf. Sluit de ogen.
Ik ga een sprookje schrijven, denk ik.
Ik denk niet.
Ik denk niets.
Niets denk ik.
Niet denk ik.
De nacht stroomt als een trage beek.
We're finally on our own.
This summer I hear the drumming,
Four dead in Ohio.
Gotta get down to it
Soldiers are cutting us down
Should have been done long ago.
What if you knew her
And found her dead on the ground
How can you run when you know?
Gotta get down to it
Soldiers are cutting us down
Should have been done long ago.
What if you knew her
And found her dead on the ground
How can you run when you know?
Tin soldiers and Nixon coming,
We're finally on our own.
This summer I hear the drumming,
Four dead in Ohio.
'Ergens op een hotelkamer in een stad in een land en dus nergens en overal, lig ik op een bed en ik luister naar Neil Young en een van zijn drie songs waarop hij honderden varianten brengt. Zoals ik schrijf, denk ik. Steeds hetzelfde, zoals hotelkamers in steden. Steeds anders, steeds gelijkend. De geschiedenis die rijmt.
Ergens op een hotelkamer in een stad in een land, heb ik het te strakke vel van de Gladde Zakenman achter gelaten. Bewust.'
Zegt Oude Knorpot.
'Ik had geen zin om het aan te trekken. Het zat me te ongemakkelijk. Het zat zo strak dat ik er dood aan ging. Ik trok mijn strakke kleren aan en toch voelde ik me anders en lichter en in de spiegel zag ik hoe de eerste tekenen van bezieling zich tekenden in zijn ogen.
Ik trok de hotelkamer dicht. Ik betaalde en verliet het hotel. Ik nam een taxi en verliet de stad. Ik nam het vliegtuig en verliet het land. Ik verliet het strakke vel. Ik liet een leven achter me. De Peetvader heeft het nooit begrepen en heeft het me nooit vergeven, want het helpt te vergeven als je begrijpt. Ik heb nooit de moeite gedaan het hem uit te leggen.
Ik wilde het leven van de Gladde Zakenman achter me laten. Dat was naief. In dat leven ben ik gerold. Beetje bij beetje. Er was geen dag waarop ik besloot Gladde Zakenman te zijn. Ik werd het. Zonder daarvoor te kiezen. En toen ik besloot dat ik dat leven niet meer wilde, bleef het in me haken en aan me plakken. Ik raakte het niet kwijt. Het zat aan me en in me. Ik werd oud en knorrig. Ik werd cynisch en bitter.'
Op de hotelkamer waar ik schrijf nu, in een stad in een land, heb ik een nummer. 214. Ik ben een nummer. Ik de vorige stad in een andere hotelkamer in hetzelfde land was ik nummer 7. Ik lig op bed. Het hotel is stil. Buiten is het zaterdagavond. Hier binnen zijn geen dagen.
Iemand belde me. Iemand uit een vorig leven. We hebben samen wat gegeten in een ander hotel in dezelfde stad in hetzelfde land. Het was stil aan tafel. Ik wist niets te zeggen. Waarover praat je als je geen behoefte hebt aan praten. De lanen in de lege stad waren lang en donker. Het regende zacht. Het was koud. Iemand woont in een oude stad langs een rivier waar het koud is in winter. Ik mis geen enkele stad. Ik heb ze gedroomd.
Ik lig op bed, schrijf. Sluit de ogen.
Ik ga een sprookje schrijven, denk ik.
Ik denk niet.
Ik denk niets.
Niets denk ik.
Niet denk ik.
De nacht stroomt als een trage beek.
vrijdag 13 januari 2012
Tot de ochtend komt
Ik heb de huid van de Gladde Zakenman uitgetrokken. Ik lig op bed in een bed in een hotelkamer in een stad in een land en ben dus overal en nergens.
Ik heb risotto gegeten met een hand. Ik heb terwijl gelezen op de Ipad. Ik heb een bad genomen. Nu lig ik op bed en luister Neil Young. Ik luister Nick Drake. Ik droom een droom en ik stap in de droom om er een andere te dromen. Ik luister Nick Drake om de Droeve Dichter op te roepen en afstand te scheppen met mezelf. De Droeve Dichter aan de verweerde tafel in het Donker Kot, kijkend naar buiten, triestig, onbegrepen. Zwelgend in zeurderige teksten die spreken van tristesse en weemoed om er dan een mee te worden. Te verzwelgen in de eigen triestheid en ten onder te gaan aan melancholie. Suicide is painless.
De Droeve Dichter schrijft niets vandaag en kijkt naar buiten en achter hem staat de Oude Knorpot en tussen hen beiden slechts 30 jaar van vergeten dromen.
Ik at risotto met een hand en dronk een glas witte zijn. Een glas witte wijn in een hotel in een stad in een land is meestal niet te zuipen en het kon me niet deren. Een laagje witte sneeuw op een lelijk landschap. Een deken tegen de kou. Na de risotto ging ik naar de kamer, nam een bad, luisterde naar Neil Young, zoals de voorbije 30 jaar. Ik deed het pak van de Gladde Zakenman uit en wou schrijven.
Tot de ochtend komt.
Naast me een glas Jack Daniels. Twee Blackberries.
Everybody is going out and having fun. I am a fool for staying home and having none. Ome Neil is een zagevent. Niet eens een oude. Toen.
De Oude en de Droeve kijken door het raam. Het Stille Meisje praat in geen woorden en zwijgt in geen taal.
Ergens rijden auto's over snelwegen. Vliegtuigen landen. Mensen gaan naar bed en liggen woelend op zoek naar slaap. Iemand vraagt zich af hoe het zo ver kopen kon. Iemand hoopt te dromen. Iemand leest mooie woorden. Iemand neuriet mee met ome Neil. 'it is only castles burning'.
Iemand leest. Iemand schrijft. Iemand hoort woorden spreken. Iemand spreekt woorden.
Ik zit op bed.
De dag glijdt af.
Op een nacht verdwaalde ik in Duistere Bossen in een land. Mijn reisgenoten waren toevallige personages in mijn leven. We verdwaalden met de auto langs lange smalle donkere wegen die door het bos kronkelden tot we inees bij een reusadhtig kasteel stonden waar licht was binnen en waar auto's stonden en we gingen er binnen, midden de nacht. We dwaalden door lange hoge gangen en langs trappen en torens, we openden deuren en kwamen in kamers waar de haard nog niet helemaal gedoofd was. Er waren mensen, maar we ontmoetten er geen. Het lijkt alsof ik dit droomde. Daar. Op dat moment. Buiten stond een bar van ijsblokken. Er waren vuurkorven met nog witgloeiende kolen. Er was wijn en rum en glazen. We dronken en onze tocht ging verder.
De dag gleed in een droom en de droom was de nacht.
Ik heb risotto gegeten met een hand. Ik heb terwijl gelezen op de Ipad. Ik heb een bad genomen. Nu lig ik op bed en luister Neil Young. Ik luister Nick Drake. Ik droom een droom en ik stap in de droom om er een andere te dromen. Ik luister Nick Drake om de Droeve Dichter op te roepen en afstand te scheppen met mezelf. De Droeve Dichter aan de verweerde tafel in het Donker Kot, kijkend naar buiten, triestig, onbegrepen. Zwelgend in zeurderige teksten die spreken van tristesse en weemoed om er dan een mee te worden. Te verzwelgen in de eigen triestheid en ten onder te gaan aan melancholie. Suicide is painless.
De Droeve Dichter schrijft niets vandaag en kijkt naar buiten en achter hem staat de Oude Knorpot en tussen hen beiden slechts 30 jaar van vergeten dromen.
Ik at risotto met een hand en dronk een glas witte zijn. Een glas witte wijn in een hotel in een stad in een land is meestal niet te zuipen en het kon me niet deren. Een laagje witte sneeuw op een lelijk landschap. Een deken tegen de kou. Na de risotto ging ik naar de kamer, nam een bad, luisterde naar Neil Young, zoals de voorbije 30 jaar. Ik deed het pak van de Gladde Zakenman uit en wou schrijven.
Tot de ochtend komt.
Naast me een glas Jack Daniels. Twee Blackberries.
Everybody is going out and having fun. I am a fool for staying home and having none. Ome Neil is een zagevent. Niet eens een oude. Toen.
De Oude en de Droeve kijken door het raam. Het Stille Meisje praat in geen woorden en zwijgt in geen taal.
Ergens rijden auto's over snelwegen. Vliegtuigen landen. Mensen gaan naar bed en liggen woelend op zoek naar slaap. Iemand vraagt zich af hoe het zo ver kopen kon. Iemand hoopt te dromen. Iemand leest mooie woorden. Iemand neuriet mee met ome Neil. 'it is only castles burning'.
Iemand leest. Iemand schrijft. Iemand hoort woorden spreken. Iemand spreekt woorden.
Ik zit op bed.
De dag glijdt af.
Op een nacht verdwaalde ik in Duistere Bossen in een land. Mijn reisgenoten waren toevallige personages in mijn leven. We verdwaalden met de auto langs lange smalle donkere wegen die door het bos kronkelden tot we inees bij een reusadhtig kasteel stonden waar licht was binnen en waar auto's stonden en we gingen er binnen, midden de nacht. We dwaalden door lange hoge gangen en langs trappen en torens, we openden deuren en kwamen in kamers waar de haard nog niet helemaal gedoofd was. Er waren mensen, maar we ontmoetten er geen. Het lijkt alsof ik dit droomde. Daar. Op dat moment. Buiten stond een bar van ijsblokken. Er waren vuurkorven met nog witgloeiende kolen. Er was wijn en rum en glazen. We dronken en onze tocht ging verder.
De dag gleed in een droom en de droom was de nacht.
De zoo en zo
De Gladde Zakenman glijdt in het bad van een hotel in een stad in een land en is nergens.
Straks trekt hij het strakke hemd aan, met de opvallende accenten. Je ziet dat het hemd duur is. Dit hemd kan lachwekkend zijn, weet de Gladde, maar hij weet dat hij ermee weg komt. Hij doet zijn zware horloge aan die hij gekregen heeft in een vorig leven. De Peetvader riep hem even bij zich en gaf hem het houten kistje met daarin de mooie horloge. Als hij ze om heeft ziet hij de blikken en in die blikken leest hij de tegenstander. De horloge is een hulp.
Hij trekt het strakke pak aan dat gegoten zit, in makkelijke en steeds kreukvrij vallende stof en waarvan de snit verraadt dat het een stukje vakwerk is.
Strakke goed zittende kleding maakt hem zelfzeker. Het is als het harnas waarin de strijder zich onkwetsbaar voelt. Een harnas zit ongemakkelijk. Zijn hemd en broek en jas zitten lekker.
Straks trekt hij de makkelijke schoenen aan, die duur zijn maar voor de eeuwigheid gemaakt lijken en om zijn voeten niet voelen als schoenen. Makkelijke schoenen waarin hij zich lekker voelt zijn belangrijk, weet hij. Ze ankeren.
Straks een vleug parfum. Zoet en zacht en niet agressief. Een laatste haal met de handen door het haar voor de spiegel.
Beneden wachten de leeuwen, de tijgers, de panters, de slangen, de olifanten, de neushoorns, de vogelspinnen, de haaien, de arenden, de gieren, de raven, de krokodillen.
Beneden wordt in de eerste anderhalve minuut bepaald of hij de meute weet te temmen met bluf en durf en lef of dat hij nog voor de avond voorbij is zal zijn gebeten, gekwetst, gevierendeeld, verscheurd, gedood, opgevreten.
Hij oefent de gezichten. Hij oefent de voornamen. Hij kijkt hen in de ogen straks. Hij geeft ze de hand. Noemt ze bij de voornaam, vriendelijk glimlachend en hij steunt hun voorarm bij de elleboog met zijn vrije linkerhand.
Hij denkt aan de Peetvader. Hoe hij de ruimte wist te vullen. In stilte. In bescheidenheid.
De Gladde komt uit het bad. Hij kijkt op het horloge dat bij de badrand ligt. Nog een uurtje. Hij ademt rustig in en uit.
Beneden wacht de oorlog. De Gladde brengt zijn strijdkrachten op de been.
Straks trekt hij het strakke hemd aan, met de opvallende accenten. Je ziet dat het hemd duur is. Dit hemd kan lachwekkend zijn, weet de Gladde, maar hij weet dat hij ermee weg komt. Hij doet zijn zware horloge aan die hij gekregen heeft in een vorig leven. De Peetvader riep hem even bij zich en gaf hem het houten kistje met daarin de mooie horloge. Als hij ze om heeft ziet hij de blikken en in die blikken leest hij de tegenstander. De horloge is een hulp.
Hij trekt het strakke pak aan dat gegoten zit, in makkelijke en steeds kreukvrij vallende stof en waarvan de snit verraadt dat het een stukje vakwerk is.
Strakke goed zittende kleding maakt hem zelfzeker. Het is als het harnas waarin de strijder zich onkwetsbaar voelt. Een harnas zit ongemakkelijk. Zijn hemd en broek en jas zitten lekker.
Straks trekt hij de makkelijke schoenen aan, die duur zijn maar voor de eeuwigheid gemaakt lijken en om zijn voeten niet voelen als schoenen. Makkelijke schoenen waarin hij zich lekker voelt zijn belangrijk, weet hij. Ze ankeren.
Straks een vleug parfum. Zoet en zacht en niet agressief. Een laatste haal met de handen door het haar voor de spiegel.
Beneden wachten de leeuwen, de tijgers, de panters, de slangen, de olifanten, de neushoorns, de vogelspinnen, de haaien, de arenden, de gieren, de raven, de krokodillen.
Beneden wordt in de eerste anderhalve minuut bepaald of hij de meute weet te temmen met bluf en durf en lef of dat hij nog voor de avond voorbij is zal zijn gebeten, gekwetst, gevierendeeld, verscheurd, gedood, opgevreten.
Hij oefent de gezichten. Hij oefent de voornamen. Hij kijkt hen in de ogen straks. Hij geeft ze de hand. Noemt ze bij de voornaam, vriendelijk glimlachend en hij steunt hun voorarm bij de elleboog met zijn vrije linkerhand.
Hij denkt aan de Peetvader. Hoe hij de ruimte wist te vullen. In stilte. In bescheidenheid.
De Gladde komt uit het bad. Hij kijkt op het horloge dat bij de badrand ligt. Nog een uurtje. Hij ademt rustig in en uit.
Beneden wacht de oorlog. De Gladde brengt zijn strijdkrachten op de been.
Abonneren op:
Posts (Atom)