maandag 9 maart 2015

Kleine Rakker, deel 5

Kleine Rakker,

deel 7 over Goesting (en ik tel als de kraaien dus)

Misschien moet je grootvader die dit schrijft je een keer proberen uitleggen wat die nu eigenlijk doet hele dagen, behalve door het het vlakke land daar in het Noorden reizen, het groene land van dijken en dus polders en koeien en dus kaas en melk en van strenge regeltjes en wetten en deugden en ondeugden en dus piskleurig water dat de naam bier draagt en aardappelen in reepjes in olie die fier frieten heten te zijn en die opgegeten worden in de vreemdste combinaties behalve handgemaakte mayonaise met stoofvlees op grootmoeders wijze.

Ja. Je grootvader doorklieft hele dagen Nederland in  zijn roestkleurig oranje ASO-bak en doet weinig anders dan met mensen babbelen of voor mensen staan babbelen en gesticuleren met grote gebaren en wild heen en weer lopen en tekenen op borden en flipcharts en er onleesbare dingen bij kribbelen in iets wat ooit een handschrift is geweest en waarover, binnen een paar eeuwen een archeoloog een dikke scriptie schrijven zal, die kant noch wal raakt.

Voila. Dat was het.

Dat is wat ik, die grootvader van jou, hele dagen doe. Verheven boven het verkeer cruisen in een veel te grote pickup truck met de Vaughan Brothers schallend in de cabine en met mensen palaveren en op een scherm plaatjes tonen en er vertellingen bij bedenken.

Tsjonge denk je. Zo. En kan je daar centjes mee verdienen? Want dat is allemaal wel goed en wel, maar als je jarig bent en met Pasen en Kerstdag en Nieuwjaar en weet ik veel welke aanleidingen er nog allemaal tussen die festiviteiten, wil je wel kadootjes en je zal al snel weten dat die niet uit de wolken regenen maar met de centen uit de muur gekocht en betaald worden en dat om die centen in de muur te krijgen, de meeste mensen zagend en klagend elke dag vroeg opstaan om ergens 'naar hun werk te gaan' om dan 's avonds slecht gehumeurd en moe thuis te komen en dat allemaal om die centjes in de muur te krijgen om ze er uit te halen om kadootjes te kopen. Nu nog. Binnenkort doen we dat allemaal met onze smartphone.

Wel, Nout, peter Rik werkt ook. Wat hij doet, dat babbelen, is werken. En peter Rik doet dat niét tegen zijn zin. Integendeel. En peter Rik is pas tevreden als hij bij de mensen een lach op het gelaat kan schilderen en ze bovendien nieuwsgierig kan maken om nieuwe dingen te ontdekken en proberen en als ze goesting krijgen. Onthou dat woord, kleine rakker: goesting. Het is zowat het mooiste woord ter wereld. Twitteraars (voor je begrijpt wat dat is, ben je allang toe aan een ander medium) zetten wel eens #zinin, maar dat is slechts de slappe schaduw van goesting.

Dan komen ze 's avonds met een dikke smile op hun gelaat thuis en dan vragen de kinderen: waar komt die glimlach vandaan, mama/papa? Waarop mama/papa zegt: "Ik heb goesting." Wat soms tot misverstanden leiden kan, omdat er ook een andere goesting is, een waarover ik het met jou eens zal hebben als je vijftien bent of zo.

Spreek dat woord eens uit, Nout. Proef het. Goesting. Lekker he.

Goesting!

Peter Rik maakt goesting.

Verzonden vanaf mijn BlackBerry 10-smartphone.

Je Suis Rik

Ik heb een poos gewacht. De schok was te groot en er verzamelden zich zoveel woorden in mijn geest, dat mijn hele denken een infarct deed en er alleen zwart verscheen. Of zoals bij Kamagurka: wit. Want zwart is wit en omgekeerd.

Ik voelde me erg betrokken. Net als elk van u.

Ik teken. Ik schrijf. Ik teken niet veel meer. Ik tekende cartoons. Vroeger. Toen ik jonger was. Mijn cartoons wonnen nu en dan een prijs en hingen in Knokke. Ik karikaturiseerde mensen en situaties. Dat doe ik slechts sporadisch meer. Gewoon. Het hield op. Gezin, maar vooral werk en ambitie vraten de tijd aan die je nodig hebt om creatief te zijn. En ik heb die tijd zelden terug gestolen om me achter het witte blad papier te zetten en potlood en stift te hanteren. De gom, daar hou ik niet zo van. Net zoals ik niet graag snoei.

Ik hanteerde een milde vorm van humor. Nooit kwetsend. Ik kan dat verstoppen onder het schaamlapje 'Vlaamse aard' zoals ik de afgelopen dagen in de media horen kon, maar doe dat niet. Ik ben bang. Bang om te kwetsen. En ook dat is een leugen. Ik ben bang (jawel, bang) om door anderen gekwetst te worden. Ik hou ervan geliefd te worden. En dus ben ik bang mensen te kwetsen. Want dan kwetsen ze je misschien terug. Scherpte lokt scherpte uit. Soms keren ze je gewoon de rug toe en negeren ze je. Ook dat ervaar ik als pijnlijk. Ik hanteerde dus de milde vorm van humor. Uit zelfbehoud. En, geloof ik graag, toch ook omdat ik gewoon niet graag mensen kwets. Ik heb een hoge mate van medelijden in me.
Daarmee wil ik alleen vertellen, dat ik de grootst mogelijke bewondering had en heb voor de tekenaars bij Charlie, die ook mijn goden waren. Om hun ongelooflijke moed en onafhankelijkheid. Niet zoekend naar dat geliefd worden, zoals ikzelf. Maar scherp de dingen in vraag stellen. Door bijtende satire soms. Vaak erg eenzaam. Denk ik.

Vastigheden leiden tot verstarring, Verstarring is als een meer zonder nieuwe toevoer. Het droogt uit en wordt ziek en troebel. Het stinkt. Satire zaait twijfel. Twijfel laat de verstarde monumenten wankelen en brengt ze tot leven. Twijfel maakt mensen beter. Twijfel maakt de wereld beter. Twijfel bezielt. Fanatisme ontzielt. Fanatisme is de ultieme vorm van verstarring.

Vorig jaar rond de jaarwisseling, tekende ik op mijn splinternieuwe Microsoft Surface twee cartoons over Jezus. Een waarbij de os en de ezel vervangen worden door een windturbine en een waarin Jezus, gebukt onder het kruis op zijn rug, een selfie neemt. Ik leef nog.

Nu ik aan het schrijven ben over kwetsen en gekwetst worden en zelfcensuur, moet ik het even over dat schrijven hebben. Want met de komst van de Blackberry, ben ik weer beginnen schrijven. Ik gebruik de mazen van de tijd, de plooien en kreuken die vallen tussen de dingen van het dagelijkse leven, om op dat toestelletje te rammen en Schrijverijtjes te maken. Dat doe ik nu reeds een jaar of 5. En ik heb tot mijn eigen schade geleerd ook hier milder te worden. Want al schrijvend namen de woorden soms een loopje met me en ik heb mensen gekwetst en geschokt. En achteraf had ik daar spijt van. Ik heb geleerd hoeveel impact woorden hebben. Nog steeds. Ik schrijf mijn stukjes en merk hoe ik daarmee mensen raak. Soms dieper raak dan ik wil. Of soms geheel anders dan ik bedoelde. Of kon vermoeden.

Toch heb ik nooit overwogen om te stoppen met schrijven. Er is geen reden. Noch om te schrijven. Noch om ermee te stoppen. Als mijn schrijven is wat mensen 'een roeping' noemen, dan is het dat: een roeping. Geroepen worden. misschien is het ook een weinig bescheiden vorm van zelfverheerlijking: kijk eens wat ik allemaal kan. Hou van me. als ik kots in de goot onder het kwijl, half dood.

Schrijven is iets geworden als ademen. Dat doe ik gewoon. Anders ga ik dood.

Deze week gingen mensen dood omdat ze ademden.

Je suis mijzelf. En U ook.

Verzonden vanaf mijn BlackBerry 10-smartphone.

Kleine Rakker, deel 4

Kleine Rakker,

Het is weer enige dagen geleden dat ik iets schreef voor je.
Een mens heeft altijd wel duizend en een uitvluchten in de aanbieding om te verklaren waarom dingen niet gedaan worden. Gebrek aan tijd is meestal het meest populaire en wie niet nauw kijkt, zou het nog geloven ook. Maar met het schrijven is het net als met de liefde en het lezen: je moet er tijd voor maken, nemen en desnoods stelen. Anders dreigt het bij intenties te blijven. En spijt achteraf.

Ja, Nout, uw Peter Rik kan een aardig potje filosoferen en flink doorzagen. Hij heeft zichzelf niet zomaar Oude Knorpot genoemd. Toen hij vroeger, in de tijd dat de dieren nog spraken en televisies een meter diep waren en telefoons aan een draad in de muur zaten, in het poëzie album van zijn dochters (waaronder uw eigen mama) oprecht "Oude Knorpot" schreef bij 'wat wil u later worden', had hij er geen vermoeden van dat hij dat ook daadwerkelijk worden zou, maar al bij al is het wonderlijk geslaagd. Trouwens, een poëzie album is een soort papieren versie van Facebook uit de vorige eeuw. Die waarin je mama en papa geboren werden en voor hen je grootouders, over-en overover- en ja  overoverovergrootouders, die zelfs uit de eeuw daarvoor kwamen. Het is een onwezenlijk gevoel, bedenk ik net, is dat ik dus 5 generaties heb gekend.  Van toen er nog geen auto's of vliegtuigen waren tot dit stukje schrijven op een smartphone en met de wereld delen.

Misschien ontstaat daar mijn nood tot geschiedenis schrijven. Al moet ik opletten niet te veel beloftes te maken. Een kinderboek schrijven, dat zal me wel lukken, maar of ik de moed bijeen geraapt zal krijgen om de geschiedenis van 5 generaties te schrijven, lijkt me zeer twijfelachtig. Ik ben de man van de wispelturige sprintjes en dat lijkt me eerder een soort eentonig lange marathon.

Stukjes schrijven als dit, is even loslopen. Een jogging in het bos. Een Schrijverijtje maken.

Mensen komen naar me toe. "Ik lees je stukjes over Kleine Rakker", zeggen ze "En over de Zee en Meisje enzo". Schrijven is iets dat je in je eentje doet. Je weet dat er lezers zijn, tenminste, dat hoop je. En als je ze dan ontmoet, weet je niet hoe je je gedragen moet. Mijn excuses als ik dus een beetje lomp reageerde en ook geen antwoord gaf op "Wanneer schrijf je nog eens iets?"

Nu dus. Want ik zit gevangen in de diepe vouwen van tijd en ruimte, ergens op een hotelkamer in een stad in een land en dan is er tijd op overschot en volgt het schrijven als vanzelf. Beter dan in de bar te zitten, kan ik vertellen hoeveel je al veranderd bent. Soms zie ik je een of twee dagen niet. Dan lijk je zoveel groter en sterker geworden. Je kijkt de wereld steeds bewuster aan. Je grootvader (wat moet ik mezelf steeds opnieuw overwinnen om dat te schrijven over mezelf, niet omdat ik dat erg vind of zo, maar omdat het besef maar niet landen wil) gaat net het omgekeerde doen en de ogen sluiten voor de wereld zo dadelijk. Hij doet dan de lichten uit, legt de smartphone opzij, sluit de ogen en zoekt de stilte en rust van de slaap. Doe dat nou ook maar, flinke Rakker. Het Zandmanneke komt langs. Slaap wel en droom zacht.

vrijdag 9 januari 2015

Jezus en de cartoon en de schrijver en Charlie.




Ik heb een poos gewacht. De schok was te groot en er verzamelden zich zoveel woorden in mijn geest, dat mijn hele denken een infarct deed en er alleen zwart verscheen. Of zoals bij Kamagurka: wit. Want zwart is wit en omgekeerd.

Ik voelde me erg betrokken. Net als elk van u.

Ik teken. Ik schrijf. Ik teken niet veel meer. Ik tekende cartoons. Vroeger. Toen ik jonger was. Mijn cartoons wonnen nu en dan een prijs en hingen in Knokke. Ik karikaturiseerde mensen en situaties. Dat doe ik slechts sporadisch meer. Gewoon. Het hield op. Gezin, maar vooral werk en ambitie vraten de tijd aan die je nodig hebt om creatief te zijn. En ik heb die tijd zelden terug gestolen om me achter het witte blad papier te zetten en potlood en stift te hanteren. De gom, daar hou ik niet zo van. Net zoals ik niet graag snoei.

Ik hanteerde een milde vorm van humor. Nooit kwetsend. Ik kan dat verstoppen onder het schaamlapje 'Vlaamse aard' zoals ik de afgelopen dagen in de media horen kon, maar doe dat niet. Ik ben bang. Bang om te kwetsen. En ook dat is een leugen. Ik ben bang (jawel, bang) om door anderen gekwetst te worden. Ik hou ervan geliefd te worden. En dus ben ik bang mensen te kwetsen. Want dan kwetsen ze je misschien terug. Scherpte lokt scherpte uit. Soms keren ze je gewoon de rug toe en negeren ze je. Ook dat ervaar ik als pijnlijk. Ik hanteerde dus de milde vorm van humor. Uit zelfbehoud. En, geloof ik graag, toch ook omdat ik gewoon niet graag mensen kwets. Ik heb een hoge mate van medelijden in me.
Daarmee wil ik alleen vertellen, dat ik de grootst mogelijke bewondering had en heb voor de tekenaars bij Charlie, die ook mijn goden waren. Om hun ongelooflijke moed en onafhankelijkheid. Niet zoekend naar dat geliefd worden, zoals ikzelf. Maar scherp de dingen in vraag stellen. Door bijtende satire soms.Erg eenzaam vaak. Denk ik.

Vastigheden leiden tot verstarring, Verstarring is als een meer zonder nieuwe toevoer. Het droogt uit en wordt ziek en troebel. Het stinkt. Satire zaait twijfel. Twijfel laat de verstarde monumenten wankelen en brengt ze tot leven. Twijfel maakt mensen beter. Twijfel maakt de wereld beter. Twijfel bezielt. Fanatisme ontzielt. Fanatisme is de ultieme vorm van verstarring.

Vorig jaar rond de jaarwisseling, tekende ik op mijn splinternieuwe Microsoft Surface twee cartoons over Jezus. Een waarbij de os en de ezel vervangen worden door een windturbine en een waarin Jezus, gebukt onder het kruis op zijn rug, een selfie neemt. Ik leef nog.

Nu ik aan het schrijven ben over kwetsen en gekwetst worden en zelfcensuur, moet ik het even over dat schrijven hebben. Want met de komst van de Blackberry, ben ik weer beginnen schrijven. Ik gebruik de mazen van de tijd, de plooien en kreuken die vallen tussen de dingen van het dagelijkse leven, om op dat toestelletje te rammen en Schrijverijtjes te maken. Dat doe ik nu reeds een jaar of 5. En ik heb tot mijn eigen schade geleerd ook hier milder te worden. Want al schrijvend namen de woorden soms een loopje met me en ik heb mensen gekwetst en geschokt. En achteraf had ik daar spijt van. Ik heb geleerd hoeveel impact woorden hebben. Nog steeds. Ik schrijf mijn stukjes en merk hoe ik daarmee mensen raak. Soms dieper raak dan ik wil. Of soms geheel anders dan ik bedoelde. Of kon vermoeden.

Toch heb ik nooit overwogen om te stoppen met schrijven. Er is geen reden. Noch om te schrijven. Noch om ermee te stoppen. ls dit is wat mensen 'een roeping' noemen, dan is het dat: een roeping. geroepen worden. misschien is het ook een weinig bescheiden vorm van zelfverheerlijking: kijk eens wat ik allemaal kan. Hou van me. als ik kots in de goot onder het kwijl, half dood.

Schrijven is iets geworden als ademen. Dat doe ik gewoon. Anders ga ik dood.

Deze week gingen mensen dood omdat ze ademden.

Je suis Charlie.

Verzonden vanaf mijn BlackBerry 10-smartphone.

zondag 21 december 2014

Kleine Rakker deel 3

Kleine Rakker,
Daar stond ik dan.
Het was hoogzomer en tropisch warm en ik stond te zweten als een paard op een waggelende tafel die elk moment dreigde om te kieperen, met een loodzware en veel te grote en logge extra grote houten pallet in mijn handen die ik probeerde over een houten balk te duwen en waarbij ik moest veranderen van onderhands in bovenhands grijpen. Ik zocht ontsnappingsroutes en vond er geen. Slim was het niet en eigenlijk was het totaal onverantwoord, maar voor dat soort overpeinzingen was het te laat.
Iets in me had me bevolen een boomhut te bouwen in de kastanjelaar en daar was ik dan maar aan begonnen. En die pallet daar ruim 2 en een halve meter hoog, was het fundament. Ik ben redelijk verstandig, maar ook dom en hulp vragen is niet mijn sterkste kant...
Ik heb het overleefd en de boomhut staat er, hoog in de boom en ik denk dat het me niet bevolen werd, maar netjes gevraagd. Door jou, Kleine Makker. Of verbeeld ik me dat?
Ze staat er. Brent en Arthur spelen er in. Ze zorgen ervoor dat de boomhut gaat ademen en dus leven. Ik heb de toegang zo gemaakt, dat ik wel jong moet blijven en behoorlijk lenig van lijf en leden en zot in de kop om er te raken. Soms moet een mens zichzelf wat helpen, zeker bij het stoppen van de tijd die ongenadig voorwaarts staat.
Dit is dus de deal, Kleinzoon van me: jij hebt je boomhut in onze kastanjelaar en in ruil help je me de tijd te bevechten, want ik heb geen zin in dat oud worden.

woensdag 17 december 2014

Verhakselde tijden

Het regent en in de druppels op de ruit schitteren de lichten van de straat in het eerste licht van de dag en de wind is een onrustig kind dat door de straten holt achter een onzichtbare bal die stuitert langs de gevels en de daken. De ramen buigen en de dakpannen rammelen en in Het Donker Kot zit Dichter te schrijven aan een zin zonder einde en Meisje zit iets verder en ze kijkt hoe hij schrijft en in de stallen slapen de paarden in het duister en de windstilte en Boerken ploegt met zijn laarzen door de vette modder en Knorpot staat ergens voor een ram met de handen diep in de zakken en hij zeurt tegen zichzelf en de wereld en ergens op een snelweg in het Noorden zit Zakenman in een auto tussen de andere auto's en de rode stoplichten van de file zijn duizenden parels in de druppels op de voorruit. De tijd glijdt. Hortend en stotend en hakkelend en alles wordt verhakseld en verpulverd en tot gruis gemalen. Op radio rammen jachtige stemmen allerlei woorden in zijn kop en hij hoort het niet. Dichter schrijft de lange zin die zwelt en bolt en dan weer dun wordt en lijzig en die kronkelt en aarzelt als een kleine beek in de lage brede vallei. Grijze wolken van waterverf varen van links naar rechts over de snelweg.

Nachtraven in het donker

Nachtraven onder elkaar, kijkend naar elkaar en wachtend op iets en de wereld is blind en er is niets en nergens en de raven scharrelen in het donker en ze delen en krijsen en krassen en de koningen vermaken zich terwijl predikers preken over leeuwen en stilte en regen en het luisteren van de kleuren en het wachten voor de storm terwijl de wind naar de zwarte veren likt en de kromme vleugels buigt en de aarde verdwijnt, een donkere roes na de lente en het breken van de akkers waarover de paarden het land de ploeg trokken voor het avond werd en de wolken in mijn hoofd verdwenen.

Ik ben moe. Ik ben niet moe. Wat wil ik dat ik doe. Ik ben een mens.

Veilig op de wereld. Wandelend. De hemel boven me. De aarde onder mijn voeten. Modder eigenlijk. Het ruikt naar nat bos. Hier.

Een trein met zestien wagons. Zwart. Niemand aan boord. Arriveren. Meisje is er niet. Ik zoek. Ik vind niet. Verdwenen. De trein komt vanuit de bocht en de heuvel en de horizon en de tijd en het niets. Ik zoek en vind niet. Ik zoek haar. Zocht haar.

Het ruikt naar koffie. Ik drink koffie. Nip. Parels in de avondzon en ik ben hier alleen in het nu en iedereen is wachtend. Iedereen hier. Ik alleen en mezelf en de stilte en de geur van koffie en verwondering en vervreemding en neergeslagen ogen en begrijpen en verdwijnen en daarna verdwenen in het moment. Waar ben je.

Huilde ik? Of huilde jij. Een klein boekenwinkeltje in een kleine stad en een lade met twee lepels en geen woorden verder en weten. We verdwaalde. We dronken wijn na de regen tussen de wijnranken op een binnenkoer in de voorzichtige zon. Je huid nog nat van de regen en onze gedachten fushia. Peper en zout en een ontbijt in de eerste zon.

Niemand hield me vast. Ik keek in die ogen. Ik zei. Ik vroeg de woorden. De woorden vroegen me. Het was donker. Het hout in de kachel zuchtend en knetterend. Regen en wind en storm en de wereld die zich vouwt tot een eeuwigheid. Ik voreg niets. De wereld in stilte. De stilte en de tijd als twee mensen met een lach op het gelaat en als iemand vraagt wie dat is zeggen ze een vriend van me en de nacht slentert voorbij en de wind is zoet zo dicht tegen elkaar aan en zij was lief en zacht en haar huis was warm en vertrouwd en ik was er graag. Je wandelde weg en de zon verdween en de regen droogde op en de dingen werden herinneringen en waarheid werd een woord en hoop een winterdag en iemand nam de dagen.

Wilde woud. Kijkend naar elkaar. Onbezonnen. Mild. Wonden geheeld. Geen messen. Verloren. Altijd. Verhalen. Onvoltooid. Steeds. Einde. Vergeten. Geen einde. Bomen buigen en verlangen. Langzaam branden. Grenzen. Struikgewas. Stemmen. Avondwandeling. Slapen. We vragen ons af. Het drama in mijn hoofd. Ik merk het niet. Niets. Bos. Wegel. Beekje en helder water. Een drinkende hinde. Grassprieten tussen de bladeren en het kruipelhout. Ver weg. We bestaan.

Ik zag je eerder, zegt ze, je gelaat. Je liep hier eerder. Voorbij. Ik woon hier. Vreemd. Ik herken je. Wie ben je. Zegt ze. Vreemde. Ik zag je hier eerder. Je was als de nacht die kwam voor de nacht een schaduw onder de straatlamp in de regen en een taxi in de straat en mensen die fluisteren en het geluid van de donder in de verte. Je kijkt me aan. Was ik hier eerder, denk ik. Was ik hier eerder, vraag ik. Vraag ik je. Wolken. Licht. Ooit herkennen we elkaar. Waren we hier eerder. Huilen we bij het afscheid. Afscheid nemen. Ik vraag mezelf. Wat doet het er toe. Mijn leven. Mijn vergeten. Jouw vergeten. Het is een leven. Een radiostation en mijn beukende hoofd. Soms was ik een script. Ik kon niets doen. Ik overtuigde mezelf. Vergeet dat niet, zei ik. Niemand luisterde. Nachtraven in het donker.