zondag 6 mei 2012

Een dag sluipt voorbij.

N
u en dan lijkt het grijze deken wolken minder dik en teken je een voorzichtige schaduw die naar het Noordoosten wijst en je wil je koesteren in de zon. Tevergeefs want het wolkendeken wordt weer dikker en donker en de schaduw wordt weggeblazen door een kil snijdende wind die zich onder je jas en trui wentelt en je laat rillen van de kou.
Je vloekt en je miljaart als Boerken en je draait je rug naar de wind en zet je kraag hoog en je stopt je handen diep in je broekzakken en je stampt met de voeten zoals een onrustig paard met de voorhoeven de grond schraapt. Je briest en je gromt en de kou kruipt in je lijf en leden en in je spieren en pezen en je beenderen.
Je kijkt naar de lucht. Je kijkt over de polder die donkergroen fluistert zonder woorden. Je wandelt langs de paden tussen de weides en je glijdt onvast door de vette modder. Je kijkt naar de wilgen met hun verse blaadjes en de nog kale populieren met hun stammen met aan het Noordwesten de groenrosse mossen die als door een conceptueel kunstenaar vanaf de grond over hun schors is geschilderd met een grove borstel en droge olieverf.
Tegen de avond zie je in het Westen de hemel opklaren en je ziet nog even een paar zonnestralen.

De dag gleed voorbij. Traag. Gestaag.


Een dag sloop voorbij.

zaterdag 5 mei 2012

Over geluk, nogmaals

De avond legt zich over de polder als een deken van stilte en duister. De merel zingt verder alsof hij het niet merkt. In het lage struikgewas gromt en snuift een egel. In de stallen stampt een paard tegen de deur om aandacht. Boerken gaat er langs en zegt 'ssssshhhjjjjt' en geeft wat hooi en wacht tot de ruin stil wordt. Hij wandelt naar buiten en kijkt over de polder. Straks hoort hij de uil die hier ergens jaagt en jongen heeft.

Hij kijkt door het raam van het Donker Kot waar Knorpot intens zit te praten met Dichter en Boerken is tevreden.

"Rare manier om iemand aan zijn lot over te laten. Die Knorpot zegt wel dat hij geen gevoelens heeft en dat hij die Droeve jongeling die dolend is, niet helpen wil en kan, maar ik zie iets anders. Iedereen staat in voor het eigen geluk, maar we helpen elkaar graag daarbij."

Boerken praat tegen de leegte van de polder.

De merel is gestopt met zingen. Ineens. Zonder waarschuwing. Het is heel stil even. De avond wordt nacht.
Het zwart van de nacht zwijgt in duizend klanken.

Over geluk en verantwoordelijkheid


Dolende Dichter zit bij Knorpot aan de tafel en net als Boerken binnenkomt hoort hij Knorpot heel streng zeggen dat hij Dichter niet wil helpen en dat Dichter moet ophouden met zagen en zeuren en dat Dichter zelf zijn problemen moet oplossen en niet bij hem moet komen aankloppen. Boerken ziet hoe Dichter met de kop in de grond de kamer verlaat zonder een woord en Boerken staart Knorpot stom aan en Knorpot trekt de schouders op en zegt "Voila, daar zijn we ook weer vanaf. Een jeneverke, Boerken?"
Boerken vloekt en miljaart en stapt naar buiten en slaat de deur hard dicht zodat die bijna uit haar scharnieren breekt.

Boerken keert op zijn stappen terug en opent de deur weer en met de deur in de hand zegt hij "Dus dat bedoelt gij met het afstompen van uw gevoelens. Weet ge wat ik daarop zeg: lafaard. Gij hebt Dichter zo triestig laten worden en nu hij hulp nodig heeft, helpt ge hem niet."

"Ieder van ons is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk," zegt Knorpot zacht en overtuigd maar niet overtuigend.
"Wat een dikke zever, ouwe zak. Dat is een regelrechte aanfluiting van wat ons mensen van de beesten onderscheidt. Meer zelfs. Paarden troosten elkaar, ja zelfs die stomme koeien. En gij maakt er u vanaf. Ge luistert zelfs niet wat Dichter u te vertellen heeft."
"Ach, ge begrijpt het niet", zucht Knorpot, "Dichter rukt wonden open die ik allang niet meer open wil. Ik kan hem niet helpen, want dan ga ik er zelf onderdoor."
"Dus laat ge hem maar? Nooit over nagedacht dat ge misschien elkaar kunt helpen? Ach, laat maar."

En weer slaat hij de deur achter zich dicht en met wijde stevige passen doorploegt hij de drassige weide, schuivend en glijdend en vloekend en miljarend en gaat hij in een rechte lijn naar het Donker Kot.
Een merel die op het gazon eten zocht vliegt verschrikt op.

Over handen en een hart

Knorpot toont zijn handen waarvan de leerachtige huid die te klein lijkt, scheurt en kraakt en bloedt en zwarte randen tekent en hij zegt dat de pijn nu eens schreeuwend, dan weer jankend, dan weer brandend en soms ook kloppend is, met elke hartslag. "Weet ik tenminste nog dat ik leef", zegt hij.

Hij heeft vandaag duizend kleuren grijs geteld en de voorbije nachten duizenden tinten van het diepste zwart, maar heeft erover gezwegen, want het leidt toch nergens toe om daar omstandig over te berichten, heeft hij geleerd. Niemand luistert.

Hij vertelt hoe hij uren in de tuin heeft gezwoegd met schoppen en stenen, worstelend met zware grond en te zware zakken en zijn rug kreunt bij elke beweging en zijn hoofd is als beukenhout en zijn handen zijn open wonden. Hij staart naar het gras dat donkergroen is en vettig van modder en regen. Zijn geest verdwaalt.

Knorpot zet de vingers wijd open en de diepe snee in de palm van zijn hand scheurt weer open en de pijn giert langs zijn polsen en voorarmen tot in zijn schouders. Hij wil praten en zwijgt. Hij wil ademen en ademt. Hij wil vertellen om zo leegt te vullen, maar de leegt vult hem en hij is leegte. Hij is duizend kleuren grijs. Hij is dun.

Iemand stompt de gevoelens af. Je kan dat oefenen. Je negeert ze.

"Je negeert het roepen en tieren en schreeuwen en fluisteren en smeken en huilen en jammeren van je gevoelens en op de duur zijn ze te moe en geven ze op en dan heb je er geen last meer van. Net zoals ik als ik die wonde maar blijf open scheuren, ik wen aan de pijn ervan."
"Zo kun je toch niet leven?"
"Dat hangt van de definitie van leven af."

Buiten draait de wind. Het miezert. Het is kil. Binnen brandt de haard en is het droog en warm. Knorpot staart naar het vuur en voelt zijn handpalm branden en zijn hart kloppen. 'Ik heb dus een hart', denkt hij.




vrijdag 4 mei 2012

De gevoelloosheid die vertrouwen heet

Knorpot drinkt witte wijn en hoort hoe iemand praat over leugen en waarheid en zoekt een oude tekst en leest die brommend voor:

Het wordt noen en de Gladde Zakenman en de Dolende Dichter eten samen
en de zakenman zegt dat de Dichter een ontwapenende eerlijkheid heeft
die hem ver gaat brengen in het zakendoen omdat mensen voelen dat die
echt is en authentiek en omdat mensen daarvan houden, ook zakenmensen.

"Ik ga je niet leren liegen, dichterke, maar ge moet wel leren de
waarheid te negeren als dat nodig is. Ik ga je de echte kracht van het woord leren en niet de kracht van woordjes in lieve tekstjes, maar de echte kracht.

Ik ga je leren de waarheid te negeren. En dat kan je alleen door ze
kei- en keihard en glas- en glashard te ontkennen. Je kijkt mensen
recht in de ogen en zegt heel overtuigend dat het niet waar is.

Helpt altijd! Want mensen moeten dan ineens gaan beweren dat je een
gepantenteerde leugenaar bent en dat doen ze niet. Neem dat van me aan.
Gewoon ont-kennen. Mensen mogen de bewijzen zien en voelen en horen en
toch kan je alles met een simpel en overtuigend "Neen, niet waar"
wegvegen. Ge-wel-dig! Dat, dichterke , is de echte kracht van het Woord!"

Dichter kijkt de Gladde Zakenman aan en vraagt hem of hij de Zakenman
dan nog geloven kan. "Gisteren vroeg ik je of je het Stille Meisje nog
gesproken had en je keek me aan en zei heel overtuigend 'Neen'. En
toen ik je vroeg waarom je dan zoveel van haar wist, zei je dat je
daarover niet praten wilde, want dat 'Neen Neen is'. En ik weet dat je
al eerder tegen me gelogen hebt."

De Gladde Zakenman grijnst en zegt dat dat geen leugens waren, maar het
verdraaien van de werkelijkheid om de Dromerige Dichter te sparen,
"Want je bent zo'n watje soms", en dat het bij die paar keer is
gebleven en dat de Dichter dat maar moet geloven en de dichter trekt
de schouders op en zegt dat hij niet anders kan zeker en ze eten
verder en drinken dure wijn en de Gladde Zakenman spreekt over verre
reizen en dikke deals en vliegreizen in onweders en bestolen worden in
Oosterse steden en de Dolende Dichter luistert en weet niet langer wat
waar is en wat niet en weet dat dat er niet langer toe doet.


De waarheid bestaat niet en heeft nooit bestaan. Of iets waar of of niet,
denkt hij, wordt bepaald door twee woorden: 'ja' or 'neen'. En geloven
of niet geloven.

En de Gladde Zakenman, die een extra zintuig heeft na zoveel jaren,
zegt: " Vertrouwen, dichterke, is enkel en alleen niet perse de
waarheid willen kennen. Knoopt dat goed in uw kop. Heel goed. Als je
wil leven en overleven, is het dat en dat alleen. Vertrouwen is bewust
blind en doof zijn. En gevoelloos dus ook."


De Dolende Dichter eet zwijgend verder en vraagt zich af of hij dat kan en wil. En hij bedenkt ook dat hij cynisch wordt als de Oude Knorpot omdat hij het best wel grappig vindt dat de Gladde Zakenman een filosoof is en een woordkunstenaar.

Witte Wijn en Nachtegalen

Vandaag had ik een ontmoeting met iemand die me terug sloeg in de tijd, en hij schoof me een artikel met foto toe. Ik zag mezelf. Las over mezelf. Het artikel staat vol onjuistheden en zwakt af en dikt aan.


Knorpot vertelt en kijkt Zakenman aan.

Iets ouder dan jij nu bent, en een even hard en ambitieus. Mensen die me in de weg stonden hadden weinig keuze: ze konden wijken, helemaal gek worden van mijn onaflatende stroom aan vernieuwing en de zoektocht naar perfectie, of ik ruimde ze op. Geen genade. Dat woord kende ik niet.


De periode van dit artikel was slechts het begin. 5 jaar later werd ik pas echt meedogenloos en hard. Als elk greintje menselijkheid verdwenen was. Weggesleten.


Zakenman grijnst en zegt dat Knorpot een watje is.

Vandaag zat ik op een terras en de zon priemde even doorheen de wolken en ik dronk een wijntje met iemand die zei: 'Ik ben perfect gelukkig vandaag. Tijdens de middagpauze heb ik een terrasje meegepikt, in de zon, en nu zit ik weer op een terras en straks kan ik lekker buiten sporten. Wat wil ik meer?"

Ik dacht aan mensen die nooit tevreden zijn. Zo was ik ook. Lag er een berg, dan moest ik die op. Stom kieken. Want op de top voelde ik niets. En daarna ook niet. Maar elke uitdaging moest ik grijpen.

Iemand vroeg me vandaag waar ik de tijd haalde om te schrijven en ik wou nog zo graag zeggen dat ik niet schrijven kan, Dichter, en dat jij alles schreef, maar ik was te lui en de uitleg zou me te ver leiden en de tijd was te kort, zoals elke tijd die mooi besteed is.

In het park speelden kinderen. Er zong geen nachtegaal. Het was dag.

dinsdag 1 mei 2012

MINI !


Boerken komt het Donker Kot binnen na een dag die op lente leek en ziet er Zakenman en Dichter en Knorpot rond de tafel zitten, druk in de weer met papier en potloden. En Knorpot zegt tegen Dichter: "Teken een driehoek met gelijke zijden." En Dichter tekent die driehoek.
"Neem nu vanaf de top de gulden snee en trek daar een lijn evenwijdig aan de basis."
Dichter doet het.
"Gom nu die bovenste driehoek weg, die hebben we niet meer nodig." Dichter zeurt en jammert dat hij nooit gomt als hij tekent, maar doet het toch maar.

"Trek nu alweer een lijn evenwijdig aan de basis, halfweg tussen de top en de basis van de ene schuine zijde naar de andere. We zijn al een eind weg nu.

Trek nu ook een vertikale lijn, loodrecht op en in het midden van die laatste lijn. van top tot basis. Ziezooooo. Trek nu nog een vertikale lijn recht omlaag vanaf het snijpunt van de linkse schuine zijde en die middelste horizontale. Tot aan de basis. Voilaaaaa. Ja. Nog even."

Dichter weet waaraan hij werkt en Zakenman ook. Knorpot heeft de ogen dicht en beveelt vanuit zijn verbeelding. Boerken kijkt ernaar als een koe kan kijken: stom.

" Je hebt nu links in de stompe driehoek een rechthoek. Spiegel nu die rechthoek en plak die links van de bestaande. Ja ik weet het, die rechthoek en de stompe driehoek hebben nu een kleine driehoek gezamelijk. Dat hoort zo. Die hebben we zo dadelijk nodig.

Nu maak je een cirkel die even hoog is als die rechthoek. Je zet het middelpunt precies waar de onderste horizontale van die laatste rechthoek en de links schuine van de stompe driehoek elkaar raken. Zie je wel dat we die spie nog nodig hadden... Zoooo. Ja. Perfect. Nu trek je een denkbeeldige loodlijn vanuit de rechterbovenhoek van de stompe driehoek en waar die de basis kruist, is het middelpunt van een cirkel die precies even groot is als de eerste.

Maak nu de rechtse schuine onderin een beetje bol. Doe hetzelfde heeeeeeeel lichtjes, met de bovenste horizontale lijn: maak die een tikje bol. En wat zie je? Juist ja, de perfecte contouren van de mooiste auto ooit. Stop een motorke vooraan, drijf daarmee de voorwielen aan, zet er 4 zetels in, een stuur, pedalen, een versnellingspook en een centrale ronde snelheidsmeter en je bent er.

Nu komt het, beste Zakenman...Bedenk de meest pakkende naam ooit: MINI. En dan ben je echt briljant.

Hip vanaf dag een en nog steeds. Populair bij jong en oud, rijk en arm, gezapig en sportief. Popsterren reden ermee en gij en ik en het ding won de Rally van Monte Carlo in schitterende outfit. Vier keer he! Kijk die tekening!!! Hoe schitterend dat ontwerp. Ge-wel-dig. En zijn tijd een dikke halve eeuw vooruit: klein en wendbaar en fris en monter en hip zijn IN. In 2012!!! Gebouwd tussen 1959 en 2000. 3 meter en 5 centimeter. 1meter40 breed en 1meter35 hoog en woog in de begindagen een goeie 650 kilo...."

Boerken vloekt luid de stortvloed van Knorpot aan flarden en Zakenman zeurt over de Kever en de Porsche 911 uit 1963 en Dichter heeft het over de DS en de 2PK en Knorpot zucht en knort en bromt dat ze allemaal wel gelijk hebben, maar dat hij meer gelijk heeft en dat de Mini de mooiste auto aller tijden is. En Boerken zegt dat hij een Porsche tractor rijdt en dat die veel mooier is dan dat vierkant bakske dat ze daar getekend hebben.