"Voor wie of wat schrijf je eigenlijk, Droevigaard", vraagt Boerken een beetje smalend en Het Stille Meisje dat in de hoek van de kamer de aardappels schoon wast om ze straks te koken, houdt het hoofd een beetje schuin en kijkt half naar buiten, half naar de Dichter.
Dichter aarzelt, legt dan zijn pen neer en kijkt naar buiten, terwijl hij zacht praat en zegt dat hij het misschien beter zou schrijven, maar hij gaat proberen het te zeggen.
"Eerst droeg ik mijn verdriet aan de binnenkant. Het vrat me op als een leger termieten, ongenadig en pijnlijk. Niemand zag het en niemand kon me helpen. Ik riep niet om hulp. Ik liet me opvreten en op de duur was die pijn iets wat bij mij hoorde. En vraag me nu niet welke pijn, Boerken, want soms zijn de hunkeringen en de dromen en verlangens en de teleurstellingen zo sterk verweven, dat ze niet te verklaren zijn en sommige dingen wil je niet verklaren. Niet omdat ik dat niet wil. Omdat het niets bij brengt. Daarna ging ik het schrijven. Of er over schrijven. Of er rond schrijven. Of er net overheen of onderdoor schrijven. Want wat je benoemt bestaat ineens. Of waar je net niet over schrijft, ontstaat net in de leegte die je laat. Je definieert iets door te noemen wat het is of door net te benoemen wat het niet is. Zoiets. Volg je, Boerken? En ik ging dat verdriet aan de buitenkant dragen, zodat iedereen het kan zien die het wil zien. Jij kan mijn schrijven lezen, en Knorpot en Meisje en Zakenman en om het even wie. Mijn schrijfsels slingeren rond. Soms denk ik: waarom schrijf ik al die honderden bladen vol? Waarom probeer ik mooie beelden te verwoorden en mooie woorden te verbeelden? Waarom draag ik mijn roerselen aan de buitenzijde? Ik weet het niet."
Boerken staat op en komt met de handen in de zakken tussen de Dichter en het Meisje staan en hij kijkt ook naar buiten. Alle drie. Ze zeggen niets. Ze zien hoe Knorpot door de tuin naar binnen komt en als hij de deur opent , waait de herfstigheid naar binnen. Hij ziet ze alledrie staan of zitten, als standbeelden die in stilte ergens naar nergens kijken en hij weet zich geen houding te geven.
Hij stapt dan maar door naar de keuken, opent de koelkast en neemt een Duvel, kijkt op naar de klok en zet de Duvel terug, zet de espresso aan en vraagt of iemand koffie lust en niemand geeft een antwoord.
"Het lijkt buiten wel herfst", zegt hij, in een poging om te doen alsof er niets aan de hand is, "Iemand zin in een hersftwandeling doorheen de polder op deze geweldige dag in juli?"
Meisje staat op en neemt haar jas van de kapstok die in de andere hoek staat en ze trekt haar laarzen aan en Dichter volgt haar voorbeeld. Boerken ritst zijn oliejas dicht, die stijf staat van het stof en vuil wat er nu al 30 jaar in vast koekt en hij duwt een hoed stevig op zijn kop en zegt: "Laten we de woorden maar eens goed van ons afwaaien en -spoelen."
Buiten regent het zacht. Dichter spreekt zacht en noemt deze regen 'Sluierverdriet'. Hij loopt hand in hand met Meisje. Boerken loopt voorop en bepaalt het tempo en Knorpot sluit de rangen, een tweetal meter achter de rest.
De tergend langzaam meanderende levens van Droeve Dichter, Boerken, Oude Knorpot, Gladde Zakeman, Stil Meisje, Grijze Filosoof, Buurmans en de Trage Stroom.
vrijdag 13 juli 2012
woensdag 11 juli 2012
Het is wat het is
Als Knorpot grommend dat het herfst is en dat hij een hekel heeft aan de ochtend, zeker de vroege ochtend als het grijs is en miezert en kil is, zit Boerken hem grijnzend aan te kijken en zegt hij dat dit geen vroege ochtend is want dat de vogels al 3 uur geleden wakker werden en Boerken zelf dus ook en dat hij al flink gestat heeft langs de weides door de polder tot bij de Trage Stroom die laag staat en verder leegloopt in Zee en een beek wordt die stroomt in een diep bed van grijs en stinkend slib.
Knorpot maakt espresso en bromt dat dat hem niks kan schelen en hij kijkt naar buiten en zegt tegen het Stille Meisje dat samen met Dichter sinaassap drinkt aan de verweerde tafel bij het raam, dat de wolken vandaag wel van waterverf lijken die nog drijft in het water dat dik op het papier ligt.
Boerken snuift en zegt dat dat hem dan weer niks kan schelen, al hun gezever over wolken. "Ge hebt grote en kleine en donkere en witte en ge hebt grijze waaruit de regen komt en meer moet dat niet zijn."
Knorpot maakt espresso en bromt dat dat hem niks kan schelen en hij kijkt naar buiten en zegt tegen het Stille Meisje dat samen met Dichter sinaassap drinkt aan de verweerde tafel bij het raam, dat de wolken vandaag wel van waterverf lijken die nog drijft in het water dat dik op het papier ligt.
Boerken snuift en zegt dat dat hem dan weer niks kan schelen, al hun gezever over wolken. "Ge hebt grote en kleine en donkere en witte en ge hebt grijze waaruit de regen komt en meer moet dat niet zijn."
Stommekloten en politiek
"Waarom zoudt ge het niet doen, Knorpot, in de politiek gaan. Ja, ge kunt aardig knorren en brommen en grommen en ge moet niet cynisch worden en ik weet dat dat moeilijk is, want dat al het lelijke van de mens uw zielke raakt en ge wilt daar wat aan doen. Neen ge wilt de mensen niet opvoeden. Niet meer. Ja, ge vindt dat de scholen tekort schieten en dat de huidige generatie politici die geen eigen mening hebben en die dus ook niet kunnen verdedigen, het resultaat zijn van dat falende onderwijs. Ge vindt dat het niet kan dat de maatschappij onherkenbaar veranderd is sinds dat ge zelf op school zat, maar dat de vakken, de leerstof en de manier waarop onderwezen wordt, eigenlijk onveranderd is gebleven. Straks gaan uw kleinkinderen die ge nog niet hebt nu, naar school en ge weet nu al dat ze dezelfde vakken en leerstof op dezelfde toen al achterhaalde didactische manier te slikken zullen krijgen. Ge vindt dat onderwijs en cultuur en menselijke solidariteit en daar horen dus ook de inrichting van de staat bij, niet enkel bij de politiekers mogen zitten, omdat die enkel gedreven worden door de angst kiezers te verliezen door het nemen van maatregelen die uitleg vergen.
Dus waarom zoudt ge de politiek niet instappen? Want ge hebt wel een mening. En ge weet waarom. Maar ge staat ook open voor die van anderen. Dat weet ik. Ge luistert naar mij, een conservatief boerken en naar Dichter, een links groene intellectuele dromer en naar Zakenman met zijn liberale gedachten en zijn harde meningen en naar Meisje die in alles het goede ziet en naar uzelf die in alles het slechte ziet. Ge zijt altijd op zoek naar de anti-these. Jaja, ik ben een boerken, maar ik heb wel onderwijs genoten, vergeet dat niet en in de winter lees ik veel. Ge spreekt een these uit om de antithese te horen en dan probeert ge die te begrijpen en ge bouwt mee aan de synthese en als iemand een these uitspreekt, geeft ge de antithese. Altijd zoekend naar de Grote Waarheid."
Knorpot zwijgt en wijst met zijn kin naar Droeve Dichter en mompelt dan dat het aan de jeugd is om het over te nemen. En Boerken vloekt en zegt dat Knorpot een stommekloot is.
Dus waarom zoudt ge de politiek niet instappen? Want ge hebt wel een mening. En ge weet waarom. Maar ge staat ook open voor die van anderen. Dat weet ik. Ge luistert naar mij, een conservatief boerken en naar Dichter, een links groene intellectuele dromer en naar Zakenman met zijn liberale gedachten en zijn harde meningen en naar Meisje die in alles het goede ziet en naar uzelf die in alles het slechte ziet. Ge zijt altijd op zoek naar de anti-these. Jaja, ik ben een boerken, maar ik heb wel onderwijs genoten, vergeet dat niet en in de winter lees ik veel. Ge spreekt een these uit om de antithese te horen en dan probeert ge die te begrijpen en ge bouwt mee aan de synthese en als iemand een these uitspreekt, geeft ge de antithese. Altijd zoekend naar de Grote Waarheid."
Knorpot zwijgt en wijst met zijn kin naar Droeve Dichter en mompelt dan dat het aan de jeugd is om het over te nemen. En Boerken vloekt en zegt dat Knorpot een stommekloot is.
dinsdag 10 juli 2012
Grand Ballon
Diep onder mij de vlakke, brede vallei waardoor een Trage Stroom naar de verre zee vloeit, langzaam en kronkelend en soms spiegelend in het zon. Ik zit bijna 1400 meter hoger en kijk over de vallei. Heel ver weg, in het lage zonlicht zie ik de toppen van de Alpen. Een paar uur geleden reed ik daar nog tussen, links en rechts uit mijn auto kijkend en genietend van de bergen.
Uit de vallei komt geen geluid. Het lijkt alsof er tussen het leven daar en het leven hier op deze bolle berg, een scherm is gespannen waar je doorheen kan kijken, maar wat geen geluid doorlaat. Ik speur naar beweging daar beneden. De avond valt. Ik sluit de ogen en leg me achterover in het gras, de vallei aan mijn voeten. Ik adem de stilte. Ik slaap niet. Ik zinder.
In de brede vallei waarin in net nog zelf reeds, zag ik links van mij de bolle bergen liggen in de zon en ze lonkten mij als zingende meerminnen de zeevaarders en ik verliet de snelweg om de weg te kiezen die over de kam loopt die de bolle toppen met elkaar verbind, en hier, bij de grootse bolle berg, ben ik gestopt. Ik parkeerde mijn auto, heb een kwartiertje geklommen en dan ben ik, uitkijkend op de vallei, op de bolle berg gaan zitten om stilte te ademen. Met volle teugen.
De stilte vult mijn lijf en leden en ziel en hart en ik word stilte, langzaam. In mijn hoofd gaat de eeuwige storm liggen.
Uit de vallei komt geen geluid. Het lijkt alsof er tussen het leven daar en het leven hier op deze bolle berg, een scherm is gespannen waar je doorheen kan kijken, maar wat geen geluid doorlaat. Ik speur naar beweging daar beneden. De avond valt. Ik sluit de ogen en leg me achterover in het gras, de vallei aan mijn voeten. Ik adem de stilte. Ik slaap niet. Ik zinder.
In de brede vallei waarin in net nog zelf reeds, zag ik links van mij de bolle bergen liggen in de zon en ze lonkten mij als zingende meerminnen de zeevaarders en ik verliet de snelweg om de weg te kiezen die over de kam loopt die de bolle toppen met elkaar verbind, en hier, bij de grootse bolle berg, ben ik gestopt. Ik parkeerde mijn auto, heb een kwartiertje geklommen en dan ben ik, uitkijkend op de vallei, op de bolle berg gaan zitten om stilte te ademen. Met volle teugen.
De stilte vult mijn lijf en leden en ziel en hart en ik word stilte, langzaam. In mijn hoofd gaat de eeuwige storm liggen.
maandag 9 juli 2012
Schrijver en de doos
"Schrijft ge eigenlijk nog over iets of iemand?" vraagt Boerken aan de Droeve Dichter, "Of doet ge maar alsof en zet ge altijd dezelfde woorden en beelden op papier in steeds kleiner wordende varianten? Ik denk dan dat het de mensen de keel gaat uithangen. Dat ze denken: elaba dichterke van mijn botten, denkt ge nu echt dat ge met ons voeten en kloten kunt spelen en rammelen als waren we willoze piepeltjes waarmee je kon doen en laten wat je maar wil, zoals de personages in je stomme verhaalkes!?"
Dichter kijkt op en grijnst. "Piepeltjes? People-tjes? Sinds wanneer gebruik je dat soort newspeak? Dat is het managerstaaltje. Heb je te veel naar de Gladde geluisterd? Of heeft hij je boerenkop weer zot gemaakt met een of ander ongetwijfeld briljant businessidee? Of heb je weer eens mogen meerijden in zijn blitse kar naar de stad om er te eten in een van die trendy eettenten van hem?"
Boerken snuift minachtend als een briesend paard en geeft geen antwoord en gromt "dat hij gelijk heeft en dat Dichter alsmaar dezelfde rommel schrijft en dat die Grote Roman waarover hij nu al zo lang spreekt een fabelke is, maar nooit geschreven zal worden omdat hij niet bestaat en als hij al bestond in de kop van Dichter, die niet in staat zou zijn die te schrijven bij gebrek aan talent en doorzettingsvermogen."
Dichter staat op, gaat door de keuken naar de kelder en komt terug met een doos en opent die. De doos zit vol geprint A4 papier.
"Hoofdstukken 1 tot 17" zegt Dichter zacht en zonder enige emotie. "Je mag ze meenemen en lezen. Als je er niks aan vindt, mag je ze zelfs vernietigen. Ik leg al dit nachtelijk geschrijf in jouw handen. Hier." Dichter legt het deksels op de doos en schuift ze naar Boerken. Die kijkt op de doos. Daarop staat: "Madoc 2.0" en daaronder "Hoofstukken 1-17". Boerken pakt de doos, staat op zonder een woord en stapt de tuin door en de polder in langs de kassieweg die tot bij zijn boerderij loopt.
Het is avond. De dagen zijn lang. De lucht is grijs en het lijkt herfst in de polder, al staan de bomen diepgroen en vet in het lover. Ze ruisen in de wind.
Dichter kijkt op en grijnst. "Piepeltjes? People-tjes? Sinds wanneer gebruik je dat soort newspeak? Dat is het managerstaaltje. Heb je te veel naar de Gladde geluisterd? Of heeft hij je boerenkop weer zot gemaakt met een of ander ongetwijfeld briljant businessidee? Of heb je weer eens mogen meerijden in zijn blitse kar naar de stad om er te eten in een van die trendy eettenten van hem?"
Boerken snuift minachtend als een briesend paard en geeft geen antwoord en gromt "dat hij gelijk heeft en dat Dichter alsmaar dezelfde rommel schrijft en dat die Grote Roman waarover hij nu al zo lang spreekt een fabelke is, maar nooit geschreven zal worden omdat hij niet bestaat en als hij al bestond in de kop van Dichter, die niet in staat zou zijn die te schrijven bij gebrek aan talent en doorzettingsvermogen."
Dichter staat op, gaat door de keuken naar de kelder en komt terug met een doos en opent die. De doos zit vol geprint A4 papier.
"Hoofdstukken 1 tot 17" zegt Dichter zacht en zonder enige emotie. "Je mag ze meenemen en lezen. Als je er niks aan vindt, mag je ze zelfs vernietigen. Ik leg al dit nachtelijk geschrijf in jouw handen. Hier." Dichter legt het deksels op de doos en schuift ze naar Boerken. Die kijkt op de doos. Daarop staat: "Madoc 2.0" en daaronder "Hoofstukken 1-17". Boerken pakt de doos, staat op zonder een woord en stapt de tuin door en de polder in langs de kassieweg die tot bij zijn boerderij loopt.
Het is avond. De dagen zijn lang. De lucht is grijs en het lijkt herfst in de polder, al staan de bomen diepgroen en vet in het lover. Ze ruisen in de wind.
Mier
Het is herfst in de zomer en Boerken vloekt en miljaart en grolt en gromt, maar de lucht blijft grijs en donker zonder zon en het regent en waait alsof het november was. Boerken zaagt over gebrek aan zon en teveel aan water en niemand luistert omdat boeren altijd nu eenmaal altijd klagen, maar vooral omdat er niemand is. Boerken staat alleen middenin de polder en roept de goden aan en die lachen hem niet eens uit maar negeren die mier daar beneden in dat benepen land tegen de Noordelijk zee. Ze zien hem niet en als ze hem zouden zien, zouden ze hem verpulveren om van zijn vervelende gekerm af te zijn. Ze zouden de dijken breken en hem laten wegspoelen door het kolkende water dat vanuit de Trage Stroom vernietigend de polder in zou stormen als een kudde buffels.
Boerken vloekt en miljaart en het helpt geen zier.
Boerken vloekt en miljaart en het helpt geen zier.
zondag 8 juli 2012
Nostalgia alweer
De avond stapt traag voorbij als een bejaarde man die achter zijn looprek door de lange gang van het bejaardentehuis van de eetzaal naar zijn kamer sleft om er eenzaam naar de televisie starend te sterven.
"Toen ik jonger was, speelde ik Kerstman voor de kinderen", zegt Knorpot, "en daarna reden we naar het bejaardentehuis en we maakten er de verkleuterden blij en ik werd er misselijk van de ellende en de geur die er hangt en die lijkt op wat je ruikt in de zoo. Later bezocht ik in datzelfde tehuis mijn grootvader die tot kort daarvoor kranig was geweest en sterk als een oude eik. Fietsend door weer en wind. Zijn tuin omspittend op handen en knieen omdat het rechtop niet meer lukte. Scherp als een mes. Pezig. Alert. En dan ineens stierf grootmoeder en was hij verloren. Ik bezocht hem daar en nadien moest ik kotsen. Net als veel jaar daarvoor, als Kerstman. Hij is er niet lang geweest. Hij doofde. Onzacht."
De anderen luisteren en zwijgen en de avond wordt nacht.
"Toen ik jonger was, speelde ik Kerstman voor de kinderen", zegt Knorpot, "en daarna reden we naar het bejaardentehuis en we maakten er de verkleuterden blij en ik werd er misselijk van de ellende en de geur die er hangt en die lijkt op wat je ruikt in de zoo. Later bezocht ik in datzelfde tehuis mijn grootvader die tot kort daarvoor kranig was geweest en sterk als een oude eik. Fietsend door weer en wind. Zijn tuin omspittend op handen en knieen omdat het rechtop niet meer lukte. Scherp als een mes. Pezig. Alert. En dan ineens stierf grootmoeder en was hij verloren. Ik bezocht hem daar en nadien moest ik kotsen. Net als veel jaar daarvoor, als Kerstman. Hij is er niet lang geweest. Hij doofde. Onzacht."
De anderen luisteren en zwijgen en de avond wordt nacht.
Abonneren op:
Posts (Atom)

