vrijdag 14 februari 2014

Antwerpen

De grijze hemel zeikt helemaal leeg vandaag. De aarde is een spons en kan niets meer slikken. De paarden verzuipen en het gras ligt rottend in modderige plassen te gisten. De wind zwiept de dunne druppels als inslag over kettingen van de populieren die met hun wortels wankelen in de vette modder en vechten tegen de storm die raast in de smalle steeg tussen hemel en aarde. Grauw op grauw met daartussen zeikende regen en tergende wind en de gelatenheid van de polder die verzuipt. 

Dichter zit binnen en kijkt en schrijft het niet en Zakenman staat met zijn grijze bolide te staan in de stilstaande file op grijs asfalt en de stoplichten voor hem vormen een lang lint van rood gejammer. Staan dus. Stil. Staan. Hij is niet eens geduldig. Hij is moe.

Barcelona

In de stad hangt de slapeloosheid van de eerste lentedagen en de wind die van over zee komt aanwaaien slaat de winter om me heen als een kille hand die me in de nek grijpt. Ik zit in de zon. Het plein is druk. Daklozen slenteren voorbij. Een babbelt in zichzelf. Een staat als een houten pop heen en weer te wiegen en zingt een vreemd melancholisch lied en je hoort haar woede. Ze eet uit de vuilnisbak. Triomfantelijk. Uitdagend  Ik drink witte wijn, sluit de ogen en laat de zon me warmen.
Het plein is leeg. Een magere man in zwarte pij loopt luid biddend, de armen tekenend voor zich uitgestrekt als een razende heen en weer over het plein. Het is schemerduister,. Nu en dan stopt hij zijn jachtige stappen en staat hij stil. In zijn hoofd groeien kathedralen tot in de hemel.


Rik Vera
KD 29 
The Customer Centric Company
E-coaching
+32488313753

zondag 26 januari 2014

Kevers

Een halve kans. Oude sportschoenen. Rock and Roll.

Best voorzichtig.
Voorzichtigheid.
Beste Voorzichtigheid
Kom je met me spelen

Handpalm

Vraag naar eenzaamheid. Aan deze zijde. En de andere. Je roept me. Je bent alleen, zeg ik. Ik ben alleen zeg jij. Ik ben alleen zeg ik. Zo hard. Ik ken mezelf niet. Leegte.

Eenzaam als je jezelf niet kent. Niet eens kent. Jezelf. Ik ren. Geen waarschuwing. Mensen verdwijnen. De wereld draait. Draait door. Potlood op papier.

Mijn lip bloedt. Ik verlaat. De stad achter me. De wegen voor me. Sprankelende zon. Gevangen.
Vastgelegd in een spiegel. Dan kan ze niet vallen. Ik heb eten bij me en drinken. Laten we gaan. Spiegel de zon. Jij de Zee.

Je ogen de Zee. Je ogen een spiegel. Eeuwigheid. Tijdloos.

(violen en zee)

Neem je tijd. Ik tel de tijd. Laten we elkaar verliezen. Ik verlies me in jou en jij in mij.

Geschiedenis. Samen. Wij samen. Twee. Mijn kaarten op de tafel. De Zee. Zwemmend in de Zee. Zwevend in Zee. Ik zweef. Ik blijf de hele nacht wakker.

(stilte)

Handpalm. Een geluid. De branding. Het landen van de Zee. Tijd is mijn vriend. Alles komt terug. Keert terug. Keert om. Gaat verder. Alles. Iemand verschijnt op strand. Probeert en probeert en kan het niet vinden. Niet in wandelen. Niet in praten. Verloren woorden. Geen verbeelding. Het niet vinden. Rollende stenen.

Ik kijk over de Zee. Iemand spreekt me toe. Vertelt me iets. Ik kan het niet vinden. Ik probeer en probeer. Ik reis de wereld rond, ik doe dit en dat. Doodlopende straat. Het komt niet. Ik zoek niet langer.

De nacht schildert alles weg in zwart. Alleen het bulderen blijft. De zomerjurken. De duinen. De spelende kinderen.Mensen kijken weg. Alledaags. Ik kijk in mezelf en het zwart daalt in me. Daarna word ik schaduw en verdwijn van donkerblauw in zwart. Als ik hard genoeg staar in de ondergaande zon. Kan ik het donker stoppen. De nacht verft alles zwart. Zwart als een maanloze nacht. Zwart als een maanloze Zee.

Dichters winters





De kou die sinds gisteren in de Polder woont als een beek van bevroren zand bijt Boerken in het gelaat en maakt zijn vingers tot breekbaar en oud hout. Boerken timmert aan de omheiningen en de paarden komen nieuwsgierig te dichtbij en eentje verdedigt haar domein en slaat hem een haastig opgestoken dikke tak uit de handen met de achterhand en Boerken vloekt en ploetert weg door de modder die langzaam dik wordt als stroop in de opkomende vrieskou. Aan zijn neus bengelen koude pegels.

Dichter schrijft gejaagde woorden op papier, zittend aan de verweerde tafel: "De vissen in het bokaal van mijn gedachten plegen een ramkraak. Het zijn goudvissen. Het glas breekt en splinter en mijn kop loopt leeg en de oranje-rosse vissen sterven op de stenen vloer die zwart is en blinkt als vers gesproken woorden. Mijn woorden zijn als een oude jeans. Dun en rafelig en vertrouwd. Ik droomde deze nacht. Ik wou vluchten en mijn benen deden het niet. Ik wist dat ik in een droom gevangen zat."

Buiten dekken dikke grijze wolken de polder toe en ze verstoppen de zon en houden de kou gevangen als in een koelbox. Ik ben een broodje hesp en kaas. En sla. Denkt Dichter, maar hij schrijft het niet.


De tijd staat stil. De klok tikt verder. Mijn adem zijn kiezels. Het vriest en ik schrijf minstens 3 zinnen. De avond is donker. Het donker is ademloos.

Ik beloof mezelf. Ik beloof niets. Ik ben niets. Niets beloof ik. Beloven. Ik geloof het. Niet. Niets.

Meer tijd. Tijd is een zee, geen meer. In de haard brandt hout. Het vuur raast. Ik weet het niet. Niet meer.

donderdag 16 januari 2014

Automobielpullover

Dichter zit te schrijven want anders zou u dit niet kunnen lezen omdat deze woorden dan niet geschreven zouden zijn en de Dichter dus zichzelf niet in woorden tot leven zou schrijven om te kunnen schrijven dat hij schrijft. In de keuken, wat dieper in het huis, waar de schaduwen wonen en het eten pruttelt soms en het huis vult met heerlijke geuren als een rondwarend spook van honger en dorst, zit Meisje te breien bij een kop thee. Knorpot komt het huis binnen en kijkt Dichter even aan en dankt die in stilte dat hij geschreven wordt en zo in woorden de keuken kan binnenstappen om er bij Meisje te gaan zitten en er thee te drinken die gemaakt is van munt die in de tuin groeit in de zomer en bij het raam in de winter en van donker krullende gedroogde blaadjes die helemaal uit China komen. 
"Wat brei je", knort hij, want hij is wat hij is. Een Knorpot. En oud want de 50 voorbij. Het klinkt niet als een vraag. Het is een sneer.

Meisje zwijgt en wacht en ze breit verder aan een reusachtig lappendeken dat geen vorm lijkt te hebben.

De naalden tikken in een vreemd ingewikkelde ritmiek. De wol schuift van bol naar naalden naar een vlak zonder vorm en schijnbaar zonder functie. Het ergert Knorpot. Die heeft niet veel nodig om zich te ergeren. Zo is hij. Een kort lontje. 

De stilte klauwt zijn hart en ziel en inwendig vloekt hij en ergens branden elektrische leidingen in zijn hersenen en knappen er draden tussen zijn denken en de woorden die uit zijn mond zouden ploffen zoals dampbellen uit kokend water. Hij zegt niets.

Als Meisje lang genoeg gewacht heeft en de stilte de keuken heeft bevroren, legt ze de breinaalden en de vormloze kleurige massa neer en ze kijkt Knorpot lachend aan. Haar lach is de Zee op een dag in de zomer met spelende kinderen op het strand die zandkastelen maken en kanalen graven tot bij de vloedlijn en die wachten op de vloed. 

"Ik brei een trui voor de auto van Zakenman", zegt ze. "Ik hou niet van die glimmende lage gestroomlijnde en zorgvuldig gestileerde auto die me doet denken aan een veel te scherp keukenmes of aan een ijzige winterdag als de Oostenwind ongenadig over de polder jaagt en de sneeuw en ijzel uit de verre Toendra brengt. Daarom brei ik hem een automobielpullover."

Knorpot komt niet bij van het lachen en vergeet waarom hij net aan het koken was.

Rik Vera
KD 29 
The Customer Centric Company
E-coaching
+32488313753

woensdag 15 januari 2014

Vandaag in slides


Vandaag, zegt Zakenman, strak in pak en goed op dreef in het opbakken van lucht die als je die zou inademen zou smaken naar honing en munt en dure desertwijn, zat ik met die andere Zakenman, die Dichter, ja die Droeve introverte liefhebber van woordjes en smid van zinnetjes, voortaan SlideMan noemt, zoals Superman maar dan met slides, als in PowerPoint. 
Ik zat met SlideMan, zegt Zakenman geschreven hier en nu door Dichter en gelezen door u lezer, die misschien wel SlideMan zelf is, en SlideMan vertelde me dat hij de teksten van Dichter had gelezen over Dichter en Knorpot en Boerken en Zakenman en SlideMan vertelde me ook, zoals de wind door de bossen blaast en de bomen laat kreunen de ene tegen de andere al schurend en steunend, dat hij, die zo van taal houdt, dat gewoon een van de mooiste teksten vond die hij ooit gelezen heeft.
Zakenman verdwijnt en Dcihter neemt over en die zegt nu, dat hij de neiging had SlideMan te geloven en dat het hem ontroerde en roerde en dat Zakenman er zowaar stil van werd en ging blozen en nadien werd het avond en het regende buiten en de wind was kil en strak.