zaterdag 26 januari 2013

Winters

Boerken heeft zware armen en benen en zijn kop is gevuld met natte watten. Boerken noemt dit 'het putteke van de winter' en dan beginnen de korte donkere dagen en de weken ijzige kou en het zeulen met water op de weides bij nacht en ontij zwaar te wegen. Zijn lijf voelt als een vervallen kathedraal in een land dat een andere god is gaan aanbidden. Zijn muren zijn vochtig en beschimmeld en zijn gevels zijn mossig en vies en de glasramen zijn ingegooid en zijn poorten en deuren zijn tot brandhout gekapt en de ijzige wind huilt dwars doorheen het middenschip en de zijbeuken.

Boerken voelt dat zo, maar bedenkt het niet in woorden en al zeker niet in deze, die het bedenksel zijn van de schrijver die alles mooi wil maken en doorvlochten met beelden en diep als de zee en hoog als de lucht en warm als de zon en scherp als een Japans mes en zacht als de huid van Stil Meisje na een lavendelbad.

Boerken vloekt gewoon op dat lijf dat moe is en zeer doet en op de wind die koud is en op zijn bevroren vingers alweer en op de zware emmers en daarna komt hij binnen, stampt en klopt zich warm en drinkt een koffie aan de verweerde tafel en kijkt naar buiten.
Recht tegenover hem zit Dichter te schrijven aan een gedicht dat nu al een paar woorden ver is en als zo dikwijls bij dichter staan 'ooit' en 'ergens' al op papier en stapelen zich daarrond en tussen en onder en boven andere woorden die de smaak hebben van oneindigheid en leegte en tristesse en melancholie.
Meisje drinkt thee en zweeft over de polders en langs hun schouder en hals waar ze hen even aanraakt en Boerken sluit de ogen en probeert dat moment vast te houden, maar het glijdt van hem af.

Buiten sneeuwt het en de wind jaagt de witte vlokken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten