maandag 16 april 2012

Dichter is alleen in woorden.

Hopelijk zijn de wolken morgen verdwenen, buiten ja en ook in uwe kop. Die donkere wolken die daar al weken hangen. En hebben ze plaats gemaakt voor een geel bolleke dat zijn weg maakt langs de hemel. En u verwarmt en mild maakt en lief en niet narrig en bars en nors en triest en zwart.

"Waar komt uw triestheid toch vandaan?" vraagt Boerken voor de 536ste keer aan Dichter en in plaats van de zwijgen en voor zich uit te staren, gaat die antwoorden en laat hij zinnen en verhalen rollen uit zijn ziel als was een een onstuitbare lawine van woorden en beelden en emoties.

En Dichter vertelt in parabels. Over een estafettestok die pijn doet en die hem aangereikt is en die hij nu in handen heeft en die hij nergens kwijt kan. Over de pijn daarvan. De intense pijn. Over het smeken om hulp en nergens krijgen. Over daar staan met die pijn.
Over het Wilde Kind in zijn ziel. Over de donkere spelonken. Over een zwarte doos met donkerte die hij niet begraven kan zolang hij niet weet wat hij begraaft. Over de onmogelijke keuzes.
Over het verlies van geloof. De haan kraaide driemaal en ik voelde me bedrogen, zegt Dichter. En daarna kwam het nooit meer helemaal in het reine.
Over de gesloten kamer van Blauwbaard en de aantrekkingskracht van gesloten deuren en geheimen. Over mededogen. Over medelijden. Over willen helpen en niet kunnen en mogen. Over onbegrip en wraakzucht. Over witte ridders en zwarte demonen.
Over zwart licht en witte woorden. Over hoe de zee alles weg kan spoelen. Over hoe hij ervan droomt dat iemand de deur openzet en zij het beest in de kamer samen doden en dan begraven. Want het beest is niet dood. Het slaapt niet eens. Het vergaat van honger en dorst en voedt zich met mijn hart en ziel en zal me helemaal leeg vreten op de duur en het beest zal winnen.
Hoe hij niet wil dat het beest wint. Hoe hij dagenlang en nachtenlang knokt en vecht en strijdt en nu moe gestreden is en hoe hij om hulp heeft geschreeuwd. De deur is even opengegaan, zegt hij en het beest heeft me in de ogen gekeken. Ik zag de gloeiend gele solfer ogen van de duivel en de demon keek recht in mijn ziel en legde zijn weerzinwekkende eieren te broeden in mijn hart en ziel en nu vreten de larven mijn ingewanden weg en ik kan niet slapen niet denken niet schrijven niet dromen. In mijn dromen zie ik de ogen en hoor ik bulderend lachen en zie ik valse blikken en verlies ik alles en iedereen en ga ik niet dood maar blijf ik eeuwig leven als zielloze geest kil en koud en onmachtig.
Ik wil leven ingeblazen worden, zegt Dichter en levenslust. Ik wil de pijn verpulveren en kan dat niet alleen denk ik. En dichter huilt en kermt en jankt en schokt van pijn en verdriet en Boerken gaat de kamer uit en over de polders vliegen de vogels verschrikt op en het Stille Meisje wandelt weg van de polders over de wolken en de hemel langs de Trage Brede Stroom waar de mensen wandelen die somber zijn en alleen en geneigd tot verdrinken in het water dat glad is als olie en donker als inkt. De rivier is laag, de rivier is hoog, de rivier is diep en de rivier is onstuitbaar.

Dichter kijkt op en Dichter is alleen in woorden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten